Column

Mevrouw Goudriaan

Ook het afgelopen weekend bleef mevrouw Goudriaan ons stevig bezighouden. De kranten brachten een lawine aan reacties op de NTR-documentaire Levenseindekliniek, waarin euthanasie op haar (en twee andere mensen) werd toegepast. De grote meerderheid stond negatief tegenover deze casus, maar er waren ook mensen die zich minder afwijzend uitten.

De Volkskrant plaatste een artikel waarin oud-redacteur Henk Blanken, zelf een parkisonpatiënt, zich afzet tegen neurowetenschapper Victor Lamme, die in navolging van psychiater Frank Koerselman, de euthanasie bij Hannie Goudriaan ‘moord’ had genoemd.

„Ik heb parkinson en daardoor een grote kans dement te worden”, schrijft Blanken. „Wil ik dat? Wil ik vergeten hoe mijn lief heet? (…) Ik begrijp wat Thijs [een man van bijna 80 die alzheimer heeft] niet wil meemaken. De niet te stelpen eenzaamheid. Hoe alles je ontglipt: je taal, je decorum, je ontlasting. Net als Thijs ga ik dan liever dood.”

Ook bij Bert Keizer, publicist, verpleeghuisarts en werkzaam bij de Levenseindekliniek, beluisterde ik een genuanceerder geluid dan bij Lamme en Koerselman. Hij noemt de documentaire „een interessante mislukking” omdat „het lijden niet goed is overgebracht” , maar hij is wel overtuigd van het lijden van de mensen in de film. Ook denkt hij dat de arts van Hannie Goudriaan voldoende tijd met haar heeft doorgebracht om haar taalgebruik (‘huppakee weg’) goed te kunnen interpreteren.

De problematiek is zo gecompliceerd dat ook twee medewerkers van dezelfde medische instantie van mening verschillen. Klinisch ethicus Erwin Kompanje van Erasmus MC in Rotterdam schrijft in NRC dat hij na de documentaire „verbijsterd, verwonderd en verontrust” achterbleef. Hij ziet de overtuiging van de euthanaserende arts als „niet meer dan zijn subjectieve interpretatie’’.

Maar Arianne P. Verhagen, universitair hoofddocent afd. huisartsgeneeskunde van Erasmus MC, valt juist Koerselman en Lamme in de Volkskrant fel aan. „Niet gehinderd door enige kennis over de therapeutische achtergrond van deze meneer [Vervloet, de man met de dwangneurose] zei Koerselman dat er nog vele behandelingen mogelijk waren.” „Demagogie en populisme zijn geen wetenschappelijke kernvaardigheden”, sluit zij haar betoog venijnig af.

Zo werd ik als lezer heen en weer geslingerd tussen de standpunten van deze deskundigen, mezelf afvragend bij wie ik me het meest thuis voelde. Onvermijdelijk dook de gedachte op aan mijn eigen moeder, die zo’n jaar of twaalf, dertien voor haar dood begon te dementeren. „Als mijn geest maar goed blijft”, zei ze altijd, ook toen die geest er al goeddeels vandoor was.

Net als Hannie Goudriaan had zij nog momenten waarop ze van het leven leek te genieten. Hannie deed dat in het ijsstadion, mijn moeder thuis bij haar man en (klein)kinderen. Euthanasie? Voor de mensen die haar omringden was het niet aan de orde. Ze stierf uiteindelijk als 82-jarige een natuurlijke dood.

Misschien dat ik ook daarom als kijker naar deze documentaire verreweg de meeste moeite had met de euthanasie bij Hannie. De overredende rol van arts en echtgenoot, de mengeling van bevreemding en angst bij Hannie, de brutale aanwezigheid van de filmcamera’s bij dit sterven – het had in deze combinatie een afstotende werking. Mijn geest werd er niet goed van.

Frits abrahams