Geen moordwapens, maar keukengerei

Veel onderzoekers denken dat de oude Paaseilanders elkaar na een milieucrisis afslachtten. Maar pijlpunten blijken nu keukenmesjes.

Mata’a: mesjes, geen speerpunten Foto’s Antiquity

Dat de oorspronkelijke bewoners van Paaseiland zichzelf te gronde hebben gericht door hun natuurlijke milieu te verwoesten en elkaar vervolgens af te slachten – een doemscenario dat milieuactivisten de wereld graag voorhouden als afschrikwekkend voorbeeld – is steeds moeilijker vol te houden.

Biologen en archeologen hebben intussen aangetoond dat de bewoners van Paaseiland – in het Polynesisch heet het Rapa Nui – veel minder palmbomen gebruikten voor het transport van hun reusachtige stenen beelden (moai) dan lang is beweerd. De ontbossing van het eiland was niet het gevolg van overmatige kap, maar van uitblijvend herstel van gekapte bomen. De Polynesiërs die het afgelegen eiland in de Stille Oceaan in de dertiende eeuw kwamen bevolken, brachten ratten mee die jonge palmscheuten opaten. Toen rond 1700 de laatste palmboom was verdwenen, pasten de Paaseilanders hun dieet aan. Bij gebrek aan hout voor zeewaardige kano’s gingen ze vissen in de branding. Volgens Jacob Roggeveen en James Cook, Europese zeevaarders die in de loop van de achttiende eeuw Paaseiland aandeden, oogden de bewoners gezond.

Dat de eilanders elkaar, gedreven door honger, zouden hebben uitgeroeid in een vernietigingsoorlog is onderdeel van het oude doemscenario, dat is gepopulariseerd door de Amerikaanse milieuwetenschapper Jared Diamond in zijn boek Collapse (2005). Toch zijn er op het eiland geen sporen te vinden van systematisch oorlogsgeweld. Oud skeletmateriaal vertoont heel weinig dodelijke verwondingen en er zijn ook geen vestingwerken gevonden, zoals op andere eilanden in de Stille Oceaan met een bekende traditie van oorlogsvoering.

Als hét bewijs voor grof geweld op grote schaal zien Diamond en zijn medestanders de overvloed in de eilandbodem van zogenoemde mata’a, driehoekige stukken gekliefd obsidiaan, vulkanisch glas. Pijlpunten, daarvan zijn de aanhangers van de zelfvernietigingstheorie overtuigd. De Amerikaanse archeologen Carl Lipo en Terry Hunt, die al heel lang onderzoek doen op Paaseiland, waren daar niet zo zeker van. Zij hebben zo’n driehonderd mata’a uit musea op Paaseiland en in Hawaii aan een systematisch onderzoek onderworpen en komen tot een heel andere conclusie (Antiquity, februari).

De onderzochte mata’a vertonen een grote variatie: er is weinig lijn te ontdekken in de vormen. De mata’a hebben scherpe randen, een smalle steel en een breed blad, maar niet de vertrouwde lancetvorm van projectielen die dienen om het lichaam binnen te dringen. De contouren variëren van afgerond tot hoekig en complex. Slijtagepatronen die het gevolg zijn van gebruik wijzen op een breed spectrum van toepassingen, waaronder krabben, schrapen en snijden.

Lipo en Hunt ontdekten vormovereenkomsten tussen mata’a van Paaseiland en werktuigen van andere eilanden in de Stille Oceaan. Zo vonden collega-onderzoekers op New Britain, Papoea Nieuw-Guinea, voorwerpen van obsidiaan die sterk lijken op mata’a. Die dienden voor het aanbrengen van tatoeages en initiatietekens in de huid.

Lipo en Hunt concluderen dat de mata’a zo wijdverspreid zijn over Paaseiland omdat ze een breed scala van toepassingen hadden: in het huishouden, in de landbouw en bij rituelen. Wapens kunnen zij er met geen mogelijkheid van maken.

Hun conclusies stroken met eerder historisch onderzoek. Dat wees uit dat de Paaseilanders niet zijn uitgestorven door honger en oorlog, maar pas na herhaalde rooftochten van Peruviaanse slavenhalers in de negentiende eeuw.

    • Dirk Vlasblom