Elke week komen er 80 baby’s bij

Bijna 80.000 Syriërs wonen in kamp Al Zaatari, dat uitgroeit tot nieuwe stad. Minister Ploumen bezocht deze ‘opvang in de regio’.

Al Zaatari

Het is druk, op de markt van Al Zaatari in Jordanië. Dollende kinderen rennen langs de kramen. Mannen fietsen voorbij, veel met getrimde baarden. Alles is hier te koop: van fruit en drogisterijartikelen tot fietsbanden.

Vluchtelingenkamp Al Zaatari ligt in een woestijnachtig gebied, vijftien kilometer ten zuiden van de Syrische grens. Het is een kamp, maar het lijkt een middelgrote stad. Er wonen bijna 80.000 Syrische vluchtelingen. Wekelijks worden ongeveer tachtig kinderen geboren. Er zijn scholen, politieposten, een medische kliniek. En de ondernemende vluchtelingen verdienen hun geld hier, op de markt, met een professioneel ogende winkel of een eenvoudige marktkraam.

In Jordanië zijn ongeveer 635.000 bij de VN geregistreerde Syrische vluchtelingen, op een bevolking van zo’n 6 miljoen inwoners. Volgens schattingen zijn er ook 600.000 à 700.000 ongeregistreerde Syrische migranten. Dat valt het land zwaar. De watertekorten die er al waren, zijn verder opgelopen. Scholen en ziekenhuizen raken overvol.

Dit weekend bracht minister Lilianne Ploumen (Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, PvdA) een bezoek. Daarmee was ze één van de 175 officiële delegaties die Al Zaatari afgelopen jaar bezochten, zei kampmanager Hovig Etyemezian bij aankomst. Dat laat zien hoe belangrijk ‘opvang in de regio’ is geworden voor Europese politici.

Nederland investeert dit jaar 125 miljoen euro in de landen rond Syrië, beloofde premier Rutte twee weken geleden in Londen. Het geld gaat niet alleen naar basisbehoeftes, zegt Ploumen. „Dat ze van dag tot dag kunnen overleven is niet genoeg.” Vluchtelingen moeten ook perspectief krijgen: kans op werk.

In Londen beloofden Jordanië en Libanon om meer vluchtelingen toestemming te geven om te werken. Westerse landen zullen bedrijven stimuleren om in deze regio te investeren, zodat er meer banen komen voor zowel Jordaniërs als Syriërs. Als vluchtelingen daar een toekomst hebben, hoeven ze die niet in Europa te zoeken, is de hoop.

Ook in Al Zaatari zijn banen. Op een werkplaats van hulporganisatie Norwegian Refugee Council (NRC) werken tientallen mannen aan houten meubels. Een jongen met een roze shirt en een beige vest probeert een plank in een kledingkast te zetten. Hij verdient vier Jordaanse dinar (5 euro) per uur, zegt hij. De 23-jarige jongen komt uit de zuid-Syrische stad Daraa. Zijn naam wil hij niet in de krant.

Een vriend van hem reisde met mensensmokkelaars naar Europa. „Hij is nu in Duitsland, zijn familie zit nog in Syrië.” Dat zou hij zelf nooit doen. „Ik zou mijn familie niet verlaten.” Zijn eigen gezin kreeg twee keer een aanbod om het kamp te verruilen voor een westers land, via het hervestigingsprogramma van de VN. Eerst Canada, daarna Noorwegen. „Mijn vader wilde niet. We hebben hier familie.” Zelf ziet de jongen zich alleen naar Europa gaan als hij een plaats krijgt op een universiteit. „Om mijn studie rechten af te maken.”

Het ontstaat vanzelf

Het geld dat de jongen hier verdient, vindt zijn weg in de lokale ‘kampeconomie’. In Al Zaatari circuleert inmiddels zo’n 10 miljoen dinar per maand, staat in een studie van de urbanisatie van het kamp, die de Duitse stedenbouwkundige Ayham Dalal vorig jaar schreef.

Zo’n markt ontstaat vanzelf, zegt de vorige kampmanager van Al Zaatari, Kilian Kleinschmidt. Hij wil dat de handel nog vrijer gelaten wordt. Al Zaatari moet een échte stad worden, vindt hij. En hulporganisaties zijn niet geschikt om zo’n stad te besturen. „Er was vanaf het begin al een gat tussen de wensen van de hulporganisaties en mensen. Wij zetten de tenten in een rij, zij plaatsten ze in een cirkel. Wij bouwden gemeenschappelijke douches, zij installeerden privédouches.”

De urbanisatie van Al Zaatari is onvermijdelijk, zegt Kleinschmidt. „Zo ging het in Pakistan ook. Nadat de Russen zich terugtrokken uit Afghanistan, bleven de kampen bestaan, ook al waren die niet meer nodig. Nu kun je niet meer zien dat het ooit vluchtelingenkampen waren.”

Ploumen is het grotendeels met Kleinschmidt eens. „Hoe zelfvoorzienender mensen kunnen zijn, hoe beter.” Maar voor Jordanië zou dit erg gevoelig zijn, zegt ze, een nieuwe stad vol vluchtelingen. „Dat stelt de gastvrijheid van een land erg op de proef.”

Die gastvrijheid wordt al op de proef gesteld. De plaats Mafraq, naast het kamp Al Zaatari, had 85.000 inwoners, zei burgemeester Ahmad Alhawamdeh in een gesprek met Ploumen. Daar zijn zo’n 110.000 Syrische vluchtelingen bijgekomen. De werkloosheid steeg, de hoeveelheid afval verdubbelde en de scholen hebben wachtlijsten, ook al draaien ze dubbele diensten: de helft van de leerlingen komt ’s ochtends, de andere helft ’s middags. Kan zijn gemeente dat aan? „Het is niet de eerste keer dat er vluchtelingen in Jordanië komen”, zegt Alhawamdeh rustig. „Libiërs, Irakezen, Palestijnen. We hebben ermee leren omgaan.”

    • Christiaan Pelgrim