Eco, de geleerde die detectives schreef

Umberto Eco (1932-2016), schrijver

Doordeweeks was Umberto Eco een geleerde, in het weekend een schrijver. In zijn romans paarde hij semiotiek en filosofie aan spannende plots.

Umberto Eco, afgelopen september.

De meester van de historische roman. Beter kun je Umberto Eco, die vrijdagavond op 84-jarige leeftijd in zijn woonplaats Milaan overleed, niet omschrijven. En misschien moet je hem ook de aardigste en minst pretentieuze schrijver ter wereld noemen. Want niemand was zo benaderbaar voor zijn lezers en zo vriendelijk voor zijn interviewers als deze bebaarde Italiaan, die in 1980, op 48-jarige leeftijd, debuteerde met De naam van de roos, een internationale bestseller waarvan nu 10 miljoen exemplaren zijn verkocht. Het succes van het boek leidde tot een kaskraker van een speelfilm, met Sean Connery in de hoofdrol.

Eco werd geboren in het Italië van Mussolini, in Alessandria, een stad in het Noord-Italiaanse Piemonte. Zijn vader was een accountant, die graag en veel las, al had hij geen geld om boeken te kopen. Eco ging naar school bij de paters salesianen en studeerde daarna middeleeuwse filosofie en geschiedenis. Na zijn afstuderen maakte hij carrière in de wetenschap. Tot 2008 was hij hoogleraar in de semiotiek aan de Universiteit van Bologna. Ook was hij actief als uitgever en bezat een van de grootste boekencollecties op het gebied van de semiotiek en de middeleeuwse filosofie. De Middeleeuwen zouden hem de rest van zijn leven blijven fascineren. De semiotiek noemde hij de ‘theorie van het liegen’, een uitgelezen instrument dus om een detective mee te bakken.

Het literaire, speelse element

Doordeweeks was Eco een geleerde, in het weekend een schrijver. Dat bleek toen hij in 1980 zijn enorme wetenschappelijke kennis toepaste in De naam van de roos. Op het eerste gezicht was het boek een spannende detectiveroman, die zich afspeelde in 1327 in een afgelegen klooster in de Noord-Italiaanse bergen. Centraal thema is het schrikbewind van het centrale gezag van de Rooms-Katholieke Kerk om de verschillende dissidente stromingen binnen de kerk te onderdrukken. Een beter inzicht in de terreur van de inquisitie en het ontstaan van ketterse denkbeelden in de late Middeleeuwen kun je niet krijgen. Daarnaast wemelt het van de semiotische verwijzingen, waardoor er ook voor historici en semantici veel te genieten valt. Maar bovenal was er het literaire, speelse element. En niet te vergeten de scherpe humor, die je in al zijn boeken tegenkomt.

In 1988 publiceerde Eco zijn tweede roman, De slinger van Foucault. In dit boek, dat zich in het heden afspeelt, staat een andere wetenschappelijke interesse van Eco centraal: laatmiddeleeuwse mystieke bewegingen als de rozenkruisers en de tempeliers. Net als in De naam van de roos zette hij op een spannende manier een wereld neer waarin boeken, geschiedenis en taal een filosofisch en literair bouwwerk vormen. Ook deze keer zijn de hoofdpersonen intellectuelen: drie redacteuren van een uitgeverij in Milaan die in oude manuscripten een ontdekking doen, met moord als gevolg. Niet voor niets was Eco een autoriteit op het gebied van James Bond.

Eigenlijk is het een raadsel dat De slinger van Foucault zo’n groot publiek wist te bereiken, omdat het een grote kennis vereist om het echt te kunnen begrijpen. Maar misschien schuilt in die combinatie van Eco de semanticus en Eco de detectiveliefhebber tegelijkertijd de literaire kracht van zijn oeuvre. Want onafgebroken speelt hij een spel met zijn lezers en zet hij ze op het verkeerde been. En telkens komt hij weer met een goede plot aanzetten. Niet eerder behaalde een schrijver met een combinatie van geleerdheid en spanning zo’n succes.

Na De slinger van Foucault volgden nog enkele romans: Het eiland van de vorige dag (1995), Baudolino (2001) en De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005). Het laatste, met veel humor geschreven boek, was een mengeling van een roman en Eco’s eigen jeugdherinneringen in het fascistische Italië.

Over zijn jeugd onder Mussolini zei hij in een interview in The Paris Review dat hij als kind het fascisme iets heel gewoons vond en zich niet kon voorstellen dat je op een andere manier kon leven. Net als de joodse Primo Levi was hij lid van de fascistische jeugdbeweging en genoot hij van de padvindersuitjes. Met vertedering dacht hij dan ook aan die periode van geborgenheid terug. In zijn kindertijd was hij volgens eigen zeggen ook begonnen met schrijven.

Eco schreef ook essays over esthetica. Op latere leeftijd hield hij zich ook met religie bezig. Zo publiceerde Eco, die van huis uit katholiek was maar op latere leeftijd atheïst werd, in 1999 samen met de gepensioneerde aartsbisschop van Milaan Carlo Maria Martini het lange essay Geloven of niet geloven: een confrontatie.

Zijn laatste grote roman, De begraafplaats in Praag (2010), was opnieuw een boek volgens het recept van geleerdheid en spanning, nu gecombineerd met een knappe analyse van het negentiende-eeuwse antisemitisme in Europa. En opnieuw tilde dat laatste element het boek boven het niveau van een gewone roman uit. Dat ging ditmaal, zei hij destijds tegen NRC, „met pijn en moeite”. Het was ineens alsof hij er de pest in had dat hij zich niet van dat andere grootse element in zijn oeuvre, de humor, had kunnen bedienen.

    • Michel Krielaars