Column

De dood en het sterven zijn niet openbaar

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC

De discussie is al oud. Wat kun je en mag je laten zien? En eigenlijk is het antwoord zo langzamerhand dat je bijna alles mag laten zien, zij het dat het wel verschil maakt hoe iets getoond wordt. Gelukkig hoeven we niet naar alles te kijken. Er zijn dingen die een mens het gevoel geven dat hij iets heeft verloren door ze te lezen, te zien, te weten.

We kennen ondanks die openheid wel pudeur. We kijken bijvoorbeeld niet naar martelingen of executies (al doen veel mensen dat tegenwoordig heimelijk wel). Van zulke dingen gaat een verruwende werking uit vinden we. En meer dan alleen verruwing: er is ook zoiets als schaamte, schaamte om de geschonden intimiteit. Mensen tentoon stellen, bloot stellen aan blikken op momenten dat ze volstrekt weerloos zijn, is een vorm van vernedering.

Vorige week keek ik naar De Wereld Draait Door, waar gediscussieerd werd over de documentaire die de Levenseindekliniek had laten maken en die een dag eerder was uitgezonden. Op een gegeven moment zei Matthijs van Nieuwkerk dat we even naar een stukje gingen kijken, en ik voelde mezelf van schrik verstijven – als ze maar niet dát fragment laten zien!

Dat fragment waarover je bijna niet kunt spreken. Het gedeelte waarin Hannie Goudriaan, die lijdt aan semantische dementie, sterft nadat een arts een spuit in haar ader heeft laten leeglopen.

Gelukkig herhaalden ze die scène niet bij DWDD. Want het was verschrikkelijk. Zei mevrouw Goudriaan zelf. En ik mompelde het ook voor de televisie en had de sterke neiging weg te kijken, wat ik niet deed, en ik zag de grauw geworden, levenloze gestalte in haar stoel zitten.

Haar bejaarde moeder was er ook bij. Ze huilde. De ontzetting in die kamer was voelbaar in de huiskamer. In talloze huiskamers. Je zag, voor je ogen, hoe iemand een ander mens ombrengt.

De discussie rond de documentaire gaat, zeker ook terecht, over euthanasie en in welke gevallen die toegepast mag worden, en of de dementerende vrouw ondraaglijk en uitzichtloos leed, en of ze wel in staat geacht moest worden om haar wensen duidelijk onder woorden te brengen. Dat zijn heel belangrijke punten, waarover veel vragen te stellen zijn.

Maar eigenlijk blijf ik al dagen in iets anders steken: in de ontzetting om wat ik gezien heb. Om wat ik niet had mógen zien.

De vrouw zelf vroeg op het laatst nog of ze niet ‘daarheen’ zouden gaan, ze wees naar ergens meer achter in het huis. Wat ze ermee bedoelde wist niemand.

Had ze wel toestemming gegeven om gefilmd te worden terwijl ze overleed? Had iemand dat haar zo kunnen vragen dat ze die vraag kon begrijpen? En zelfs als dat zo was, dan nog, moest haar sterven dan echt vastgelegd worden voor de ogen van heel Nederland? Behoort dat niet tot de intimiteit van iemands leven?

De dood en het sterven zijn niet openbaar.

Het lijkt me een heel sterk taboe, toch voelen de meeste mensen dat blijkbaar niet zo. Het is dus achterhaalde pudeur, achterhaalde gêne om te willen dat je zoiets niet te zien krijgt, om het bruut te vinden dat zoiets vertoond wordt. De andere twee lijdenden die in deze documentaire euthanasie kregen, werden uiteindelijk alleen gelaten met de arts en met degenen die ze er zelf bij hadden willen hebben. Alleen de demente mevrouw, die niet meer om privacy kon vragen, werd in haar sterven tentoongesteld, zonder de pruik die ze droeg als ze naar buiten ging, op prime time.

Beschadigend. Voor iedereen.