‘We verkwanselen onze kennis’

Sander Wassink haalt inspiratie uit afval en verzet zich tegen lagelonen-productie. Deel 8 in een serie gesprekken met spraakmakende ontwerpers. tekst Arjen Ribbens foto Arjen Born

Sander Wassink zit op een kist met een 3D-geprinte keramische vaas die hij maakte met ontwerper Olivier van Herpt.

Als productontwerper bent u afgestudeerd met stoelen gemaakt van afval. En niet met de stoelen zelf, maar met foto’s van die stoelen. Kunt u dat toelichten? „Voor ik naar de Design Academy ging heb ik als grafisch ontwerper een jaar voor reclamebureaus gewerkt. De realiteit verdraaien om een product te verkopen, het was tegelijk interessant en verschrikkelijk. De hyperperfectie van advertenties vormt zo’n contrast met hoe ik de wereld ervaar. Als ik om me heen kijk, zie ik vooral de rotzooi waar ik die stoelen van heb gemaakt.

„Ook in de designwereld is het beeld bijna belangrijker dan het object. Toen ik dat door kreeg, dacht ik: waarom niet alleen beelden maken? Die afvalstoelen heb ik na het fotograferen afgebroken. De glossy foto’s heb ik groot laten afdrukken en aan de muur gehangen. Ze zijn op tal van plekken gepubliceerd.”

U heeft daarna vaker afval als grondstof gebruikt.

„Bij de vuilstort kan ik me verwonderen: er wordt zoveel van waarde weggegooid. Met mijn ex-vriendin heb ik in kringloopwinkels en op rommelmarkten bijzonder glas verzameld. Door dat glas te stapelen hebben we er lampen van gemaakt.

„Vorige maand was ik in Parijs op Maison & Objet, een van de grootste interieurbeurzen van Europa. Als productontwerper wilde ik daar eens rondkijken. Wat zijn we moeilijk aan het doen, dacht ik steeds; zoveel energie die in nuttiger zaken gestoken had kunnen worden. Als ontwerper heb ik steeds de neiging om onze wijze van produceren, distribueren en vermarkten van producten in twijfel te trekken.”

Wat moet er anders?

„We produceren in het Westen nauwelijks meer. Bijna al onze producten komen van overzee. We moeten hard nadenken hoe we die outsourcing terugdraaien. Niet alleen verkwanselen we zo onze kennis en kunde, het is ook een moderne vorm van slavernij om onze schoenen, kleding en wat niet al, voor een fractie van onze lonen in Azië te laten produceren.

„Als jouw directe collega slechts 5 procent zou verdienen van wat jij verdient, is dat moreel onacceptabel. Maar mensen aan de andere kant van de wereld voor een krats voor ons laten werken, dat is totaal oké. Daar verzet ik me tegen.”

Hoe?

„Met projecten die dat systeem een beetje openbreken. In Marokko heb ik Nike-shirts laten borduren door plaatselijke handwerkmannen. Daarmee bracht ik twee werelden bij elkaar en gaf ik het lokale waarde.

„In Beijing heb ik de Dashilar Flagshipstore geopend, een tijdelijke schoenenwinkel. In ontwikkelingslanden willen de bewoners ook Nikes en andere merkkleding. Dat geeft status. Maar de schoenen die ze daar voor ons produceren zijn voor henzelf te duur. Dus worden merkproducten op grote schaal vervalst. Ik heb die goedkope, vervalste merkschoenen als grondstof gebruikt voor mijn Dashilar-schoenen. Samen met ontwerpstudenten hebben we de schoenen opgeknipt en plaatselijke schoenmakers gevraagd de losse onderdelen op eigen wijze weer aan elkaar te naaien.

„Ik hoop dat grote merken hun hightech materialen beschikbaar gaan stellen aan lokale, kleinere bedrijven. Nu beschermen grote merken hun spullen en draagt het grootste deel van de wereldbevolking inferieure vervalsingen.”

Beschrijft u uw interieur eens?

„Een mix van zelfgemaakt en op straat gevonden. En niks zit vast. Ik wil snel weg kunnen. Dat heeft iets te maken met mijn huidige leven, denk ik.

„Nee, ik heb niks van Ikea in mijn huis. Ik heb een haat-liefdeverhouding met dat merk. Ze maken design voor iedereen, dat is mooi. Maar op het moment dat je er de winkel mee uitloopt, is het niks meer waard. Het zijn weggooiproducten die met aanhangers vol op de vuilstort eindigen.

„Mijn bed heb ik van bakstenen gemaakt. Veel werk om die naar boven te tillen, maar ze ventileren goed. En die bakstenen blijven altijd bakstenen, ze houden hun waarde. Met die gedachte ben ik veel bezig de laatste tijd; arbeid en tijd versus de waarde van grondstoffen.”

En hoe zag uw ouderlijk huis eruit?

„Toen ik klein was, verhuisden we naar Winterswijk, naar de boerderij van mijn overleden opa. Hij had vijf schuren vol met spullen die hij had verzameld, waarmee hij nog eens wat wilde doen. Fantastisch. Ik was altijd aan het knutselen: hutten, auto’s en, toen ik ging skaten, halfpipes. Ja, die periode heeft invloed op mijn denken gehad. Ik zag potentie in dat zootje ongeregeld in die schuren. En ik leerde dat je door arrangeren en presenteren waarde kunt creëren.”

Noemt u eens een beslissend inzicht voor uw werkwijze?

„In China zag ik straatverkopers van afval een soort van stoelen maken. Gewoon, omdat ze die nodig hebben, van materialen die voorhanden waren. De kwaliteit en esthetiek van die ontwerpen waardeerde ik. Ze hadden iets noodzakelijks en waren heel eigen. Niet bewust ontworpen producten ben ik interessanter gaan vinden dan producten die heel nadrukkelijk zijn ontworpen. De imperfectie hoort bij de mens, denk ik.

„In kleine hotels voel je toch meteen of de eigenaar een bepaalde eigenheid in zijn zaak heeft gebracht? Hoe knullig soms ook, die authenticiteit waardeer ik. Helaas wordt authenticiteit ook grootschalig gefaket. Al dat hout in de interieurs van McDonald’s. En bij Starbucks in New York zag ik tafels waar bouten tegenaan waren geplakt, zodat het net leek alsof de uitbater ze zelf in elkaar had gezet. Pure decoratie.”

Waarom werkt u vaak samen met andere ontwerpers?

„Ten eerste omdat het leuk is. Het brengt me telkens in contact met nieuwe en andere werelden. En daarnaast gaat het niet om mij. Dat is iets van de vorige generatie, van de Marcel Wandersen en de Studio’s Job. Dit zijn andere tijden. Samen kom je tot grote dingen, en kun je echt wat veranderen.”

Wat doet u over vijf jaar?

„Ik hoop me bezig te houden met de fabriek van de toekomst. Hoe ziet productie er in de 21ste eeuw uit en wat voor positie gaan we die geven in onze samenleving? Dus hoe gaan we ‘het maken’, de kern van een gezonde samenleving, weer integreren in ons dagelijks leven. Dat is een relevant vraagstuk.”

    • Arjen Ribbens