Umberto Eco (1932-2016), meester van de historische roman

De Italiaanse auteur overleed zaterdagavond op 84-jarige leeftijd.

Archieffoto van Umberto Eco in 2010.
Archieffoto van Umberto Eco in 2010. Foto Luca Bruno / AP

De meester van de historische roman. Beter kun je Umberto Eco, die gisteravond op 84-jarige leeftijd in zijn woonplaats Milaan overleed, niet omschrijven. En misschien moet je hem ook de aardigste en minst pretentieuze schrijver ter wereld noemen. Want niemand was zo benaderbaar voor zijn lezers en zo vriendelijk voor zijn interviewers als deze bebaarde Italiaan, die in 1980, op 48-jarige leeftijd, debuteerde met De naam van de roos, een historische detectiveroman die meteen een internationale bestseller werd waarvan uiteindelijk 10 miljoen exemplaren zijn verkocht. Het succes van het boek leidde tot een kaskraker van een speelfilm, met Sean Connery in de hoofdrol.

Eco werd geboren in het Italië van Mussolini in Alessandria, een stad in het Noord-Italiaanse Piemonte. Zijn vader was een accountant, die graag en veel las, al had hij geen geld om boeken te kopen. Eco ging naar school bij de paters salesianen en studeerde daarna middeleeuwse filosofie en geschiedenis aan de Universiteit van Turijn. Na zijn afstuderen maakte hij carrière in de wetenschap. Tot 2008 was hij hoogleraar in de semiotiek aan de Universiteit van Bologna. Ook was hij actief als uitgever en bezat een van de grootste boekencollecties op het gebied van de semiotiek en de middeleeuwse filosofie. De Middeleeuwen zouden hem de rest van zijn leven blijven fascineren. De semiotiek noemde hij de ‘theorie van het liegen’, een uitgelezen instrument dus om een detective mee te bakken.

Schrijver in het weekend

Door de week was Eco een geleerde, in het weekend een schrijver. Dat bleek toen hij in 1980 zijn enorme wetenschappelijke kennis op originele wijze toepaste in zijn debuutroman De naam van de roos. Op het eerste gezicht was het boek een spannende detectiveroman, die zich afspeelde in 1327 in een afgelegen klooster in de Noord-Italiaanse bergen. Centraal thema is het schrikbewind van het centrale gezag van de Rooms-katholieke Kerk om de verschillende dissidente stromingen binnen de kerk te onderdrukken. Een beter inzicht in de terreur van de inquisitie en het ontstaan van ketterse denkbeelden in de Late Middeleeuwen kun je niet krijgen. Daarnaast wemelt het in de roman van de semiotische verwijzingen, waardoor er behalve voor literatuurliefhebbers ook voor historici en semantici veel te genieten valt. Maar bovenal was er het literaire, speelse element. En niet te vergeten de scherpe humor, die je in al zijn boeken tegenkomt.

In 1988 publiceerde Eco zijn tweede roman, De slinger van Foucault. In dit boek, dat zich in het heden afspeelt, staat een andere wetenschappelijke interesse van Eco centraal: de wereld van laat-middeleeuwse mystieke bewegingen als de rozenkruisers en de tempeliers. Net als in De naam van de roos zette hij opnieuw op een spannende manier een wereld neer waarin boeken, geschiedenis en taal een filosofisch en literair bouwwerk vormen. Ook dit keer zijn de hoofdpersonen intellectuelen: drie redacteuren van een uitgeverij in Milaan die in oude manuscripten een ontdekking doen, met moord als gevolg. Niet voor niets was Eco een autoriteit op het gebied van James Bond.

Raadsel

Eigenlijk is het een raadsel dat De slinger van Foucault zo’n groot publiek wist te bereiken, omdat de wereld die erin beschreven wordt een grote kennis vereist om echt te begrepen te kunnen worden. Maar misschien schuilt in die combinatie van Eco de semanticus en Eco de detectiveliefhebber tegelijkertijd de literaire kracht van zijn oeuvre. Want onafgebroken speelt hij een spel met zijn lezers en zet hij ze op het verkeerde been. En telkens komt hij weer met een goede plot aanzetten. Niet eerder behaalde een schrijver met een combinatie van geleerdheid en spanning zo’n succes.

Na De slinger van Foucault volgden nog enkele romans: Het eiland van de vorige dag (1995), Baudolino (2001) en De mysterieuze vlam van koningin Loana (2005). Het laatste, met veel humor geschreven boek, was een mengeling van een roman en Eco’s eigen jeugdherinneringen in het fascistische Italië. Strips en grammofoonplaten vormen er een belangrijke bestanddeel van.

Jeugd onder Mussolini

Over zijn jeugd onder Mussolini zei hij in een interview in The Paris Review dat hij als kind het fascisme iets heel gewoons vond en zich niet kon voorstellen dat je op een andere manier kon leven. Net als de joodse Primo Levi was hij lid van de fascistische jeugdbeweging en genoot hij van de padvindersuitjes van die geüniformeerde organisatie. Met vertedering dacht hij dan ook aan die periode van geborgenheid terug. In zijn kindertijd was hij volgens eigen zeggen ook begonnen met schrijven.

In 2015 verscheen zijn laatste boek, Het nulnummer, een vermakelijke en spannende parodie op de nepwereld van de Italiaanse pers- en mediatycoon Sylvio Berlusconi.

Eco schreef ook essays over esthetica. Op latere leeftijd hield hij zich ook met religie bezig. Zo publiceerde Eco, die katholiek van huis uit was maar op latere leeftijd atheïst werd, in 1999 samen met de gepensioneerde aartsbisschop van Milaan Carlo Maria Martini het lange essay Geloven of niet geloven: een confrontatie.

Zijn laatste grote roman, De begraafplaats in Praag (2010), was opnieuw een boek volgens het bekende recept van geleerdheid en spanning, dit keer met een schriftvervalser als hoofdpersoon en een knappe analyse van het negentiende-eeuwse antisemitisme in Europa. En opnieuw tilde dat laatste element het boek boven het niveau van een gewone roman uit. In een interview met Joyce Roodnat in NRC, zei hij over dat boek: “Al mijn boeken zijn met een goed humeur geschreven, maar dit ging met pijn en moeite. De hoofdpersoon is negatief en iedereen om hem heen ook. Iedereen bedient zich van antisemitische clichés en er gebeuren alleen maar negatieve dingen.” Het was ineens alsof hij er de pest in had dat hij zich niet van dat andere grootse element in zijn oeuvre, de humor, had kunnen bedienen.

Lees het gehele interview met Eco in 2011:‘Wie vertelt, beweegt’

De belangrijkste boeken van Umberto Eco:

De naam van de roos (1980)
Middeleeuwse detectiveroman waarin de franciscaner monnik William van Baskerville als een soort Sherlock Holmes de mysterieuze sterfgevallen in een Noord-Italiaans benedictijnenklooster onderzoekt. Eco voert hem door een labyrint van boeken, semiotische verwijzingen, en mogelijke aanwijzingen. Net als Aristoteles steekt hij de draak met waarheidszoekers en kiest hij voor de suprematie van de fictie.

De slinger van Foucault (1988)
In dit boek, dat zich afspeelt in het Milaan van de jaren tachtig, grossiert Eco in geheime genootschappen en complottheorieën. De verteller Casaubon en zijn kornuiten ontwikkelen de theorie dat de tempeliersorde aanstuurt op wereldheerschappij.

De geschiedenis van de schoonheid (2005). Essays
Net zoals De geschiedenis van de lelijkheid vormen deze rijkelijk geïllustreerde en becommentarieerde essays een overzicht van de evolutie van de esthetica.

De begraafplaats in Praag (2010)
Met de totaal schriftvervalser Simone Simonini verkent Eco het negentiende-eeuwse Europese anti-semitisme.

De geschiedenis van imaginaire landen en plaatsen (2013)
De wereldliteratuur zit er vol van. In dit boek verzamelt Eco deze bekende en minder bekende arcadia’s, en teksten die erover geschreven zijn.

Het nulnummer (2015)
Een krant die proefdraait, maakt nulnummers. Vastgoed- en televisiemagnaat Vimercate, die sterk aan Berlusconi doet denken, zet zo’n proefproject op, niet om de krant ooit echt te laten verschijnen, maar om de in een kleine oplage gedrukte nulnummers te vullen met roddels en insinuaties over de rijken en de machtigen.