Uitjes en zuur

Het maakt niet wat ze zegt, maar wanneer haar stem klinkt wordt je gemoed opgetild naar waar de lucht ijl is en je zorgen wattenwolken. Ik sta er iedere keer weer van versteld hoe geruststellend de zin „Joa... Uitjes en zuur d’r bij?” kan klinken. Alles komt goed. „Dat is dan twee euro en vijftig centen.” Nee, het weer is zo slecht nog niet, en ik sta niet onwelwillend tegenover een stukje Riverdance. Ze heeft een frisse stem die toch warm is, en het Volendamse accent voorziet zelfs iets korts als „Eet smakelijk” van een meanderende muzikaliteit. Ze staat achter de toonbank bij Vishandel ’t Centrum, waar ze ook frisdrank slijten met de pakkende slogan ‘HEB JE HET BENOUD? DRINK ZE DAN LEKKER KOUD!’. Vorig jaar was haar haarkleur blond. Tegenwoordig is het bruin. Maar ik zou haar er blind nog uitpikken. Eigenlijk wil ik geen vis meer eten, maar ik doe het toch zo af en toe, begeleid door Meneer Zelfhaat. U kent hem wel, met die wufte lok en dat tandpastagebit.

Dus zo stond ik onlangs in Vishandel ’t Centrum met een lichte alcoholvergiftiging te hopen op een haring. Het was zo’n dag dat je je afvraagt of mensen van buiten kunnen zien hoeveel moeite het je kost om je van binnen iets af te vragen. Over de afspraken die we zogezegd gemaakt hebben met betrekking tot omgangsvormen in de publieke ruimte bijvoorbeeld: ‘Er staat iemand op de plek waar ik wil lopen, mag ik erdoorheen?’ En ook zo’n dag waarop verstilde tijd (He, daar is een tamponwikkel in een duivenflats gewaaid en hij zit vast. Vast. Vast. Vast.) je overvalt op momenten waarop sociale interactie van levensbelang kan zijn. „Kijk toch uit, trut!!” Als je een drukke weg oversteekt dus, bijvoorbeeld. Maar goed, eenmaal in Vishandel ’t Centrum was het warm en veilig. En daar was ’ie, haar stem. „Wie mag ik dan helpen?” De hele zaak had nu graag zijn vinger op willen steken, maar een oud krom mannetje in een beduimeld geel jackje was ons voor. Hij bestelde „Een harinkie graag” bij haar. Zijn twee euro-munt stak hij met moeite boven de toonbank naar haar uit. En hoe ze toen naar hem keek, met haar schort om, dat moment, in die vislucht, dat kan niet anders omschreven worden dan als goddelijk. „Lekker in stukjes, voor u? Uitjes en zuur?” Haar stem, een oermoeder, Adagio for strings, hemellicht uit het systeemplafond. „Ja. Graag”, zei het mannetje. Ik moet met open mond hebben staan kijken, want na een tijdje steeg er uit een diepe put een krassende stem op. „Halloho, mevrouw? Hoort u mij? Joehoe! Wordt ú nou al geholpen?” Het was een van haar luidruchtige collega’s. Jammer. De haring at ik op aan de bar terwijl ik luisterde hoe ze kibbeling verkocht en fijne weekenden rond sprenkelde. Op de muur hing de andere slogan van Vishandel ’t Centrum: ‘BROODJE HARING EEN OPENBARING! HELEMAAL TUURELUUR MET UITJES EN ZUUR!’ Nou, dat zeker.

    • Georgina Verbaan