Opinie

    • S. Montag

Ouwe tijden

De internationale editie van The New York Times heeft iedere dag op pagina twee het rubriekje ‘In our pages’. Twee berichtjes uit de International Herald Tribune, zoals de krant vroeger heette. Ik bewaar een exemplaar van de laatste oude editie, van 30 maart 2009.

Het rubriekje is gebleven. Het oude nieuws. Op 15 februari 1891 is generaal William Tecumseh Sherman gestorven. Wat gaat mij dat aan? Ja, ik denk even aan de tank die naar hem genoemd is. Op 16 februari 1966 verwierp de Sovjet-Unie de buitenlandse protesten tegen de veroordeling van de dissidente schrijvers Andrej Sinjavski en Joeli Daniël. Terwijl ik het lees moet ik heel even aan de Koude Oorlog denken. Dat is het geheim van die rubriek. Voor een paar seconden word je teruggebracht naar oude tijden die je zelf hebt meegemaakt. Weemoed? Nee. Je bent tevreden dat je er nog zo veel van weet.

Iedereen heeft zijn persoonlijke geschiedenis. In het predigitale tijdvak had je een fototoestel waarin je een lichtgevoelig rolletje moest stoppen. De meer gevorderde amateurs hadden er een belichtingsmeter bij. Het rolletje was vol. Dan ging je naar de fotowinkel om het te laten ontwikkelen. Dat duurde een paar dagen. De afgedrukte foto’s met de negatieven werden in een keurig mapje afgeleverd. Naar huis om met de familie de prestaties te bekijken. Misschien liet je de mooiste vergroten en dan werd de hele verzameling in het fotoalbum geplakt. Dat album was het geschiedenisboek van de familie. Op dierbare momenten haalde je het weer eens uit de kast en je zag hoe snel de tijd voorbij was gegaan. In dit opzicht is het album verwant aan het ‘In our pages’.

Toen kwam het tijdvak van de polaroids. Wat een genot. Je richtte je camera, drukte af en het is me altijd een raadsel geweest hoe het werkte, maar vrijwel meteen kwam de foto naar buiten. Voor mij had het polaroidtijdperk mijn leven lang kunnen duren.

Hoe gaat dat nu? Dat weet ik niet. Het bevalt me uitstekend dat ik in het digitale tijdperk leef, het ontstaan ervan heb meegemaakt en ik weet niet wat ik zonder mijn laptop, internet, Google en soms YouTube zou moeten doen. Ik ben dus geen adigibeet die meteen in het wereldwijde web verdwaalt. Digibeet, zeggen de meeste mensen. Dat is verkeerd. Het woord is afgeleid van analfabeet, iemand die niet kan lezen en schrijven. De n is toegevoegd om het woord beter te kunnen uitspreken. De a wil zeggen dat je er niets van weet, er niets mee kunt doen. Aseksueel. Maar voor een taalkundig herstel is het te laat. Ik ben dus een deeldigibeet.

Dat wordt steeds erger want de ontwikkeling van wetenschap en techniek staan nooit stil, omdat de volgende uitvinding uit de vorige voortvloeit. Daar valt niets aan te doen. Hoe zou de wereld er nu uitzien als destijds het wiel niet was uitgevonden? En zo heeft de ontdekking van het digitalisme ook tot een revolutie geleid.

Ik zit ’s ochtends in de tram vol met kinderen die naar school gaan. Vroeger, misschien een jaar of tien geleden, was het dan een hels kabaal. Dringen, vechten, schreeuwen. Tegenwoordig is het vaak alsof je in een tram met bejaarden zit, zo rustig is het. Bijna allemaal zijn ze met een digitaal apparaatje bezig, ze gaan met een vinger over het venstertje, bekijken plaatjes. Soms maken ze een selfie. Waarom? Misschien leuk voor later.

De digitale beschaving is in toenemend tempo bezig het verleden te verslinden. Moeten we er niet iets meer van bewaren, zoals The New York Times dat met oude berichten doet? Zet bijvoorbeeld weer eens ergens een oude telefooncel neer. De kinderen zullen niet weten wat je met de draaischijf moet doen maar voor de ouderen zal het een ontroerend genot zijn een vinger in de gaatjes te steken.

    • S. Montag