Nog nooit op

Paulien Cornelisse is cabaretier en schrijver. ©

Lees deze zin: „Ganzenlever? Nee, dat heb ik nog nooit op.” Als je uit het Zuiden komt (en het Zuiden begint eigenlijk al vlak onder Utrecht) dan is dit een normale zin. Erboven klinkt hij heel, heel raar. Wie boven de rivieren is opgegroeid, kan wel ‘op’ zeggen, maar alleen als het eten op dat moment in de maag zit of zou moeten zitten. „Heb je je aardappelen nou nog niet op?” klinkt volstrekt normaal. „Pastinaak heb ik nog nooit op” en „Heb jij wel eens niertjes op” vindt de noorderling fout.

Paulien Cornelisse is cabaretier en schrijver.

Waar ligt dit aan? Geen idee. Het is aantrekkelijk om er een reden op te plakken à la: de Calvinisten in het noorden willen alleen in de meest concrete zin over eten praten. Alleen wat zojuist op hun bord heeft gelegen, kunnen zij op hebben. Pas als iets ‘op’ is, kunnen zij het ook op hebben (zie figuur 1). Een zuiderling kan het altijd over ‘op’ hebben, ook als het bewuste eten nog nooit in de buurt van de mond is geweest (zie figuur 2).

Maar zo’n halfbakken cultureel theorietje slaat natuurlijk nergens op. Een noorderling kan namelijk prima zeggen: „Heb je nog nooit ganzenlever gegeten?” Dan bedoelt hij toch echt hetzelfde als de zuidelijke op-zegger.

Op-zeggers zijn meestal ook bij-zeggers. „Ik kon hem niet bellen, want ik had mijn telefoon niet bij.” Wederom, voor de noordelijke mens klinkt dit heel raar en geamputeerd. De noordeling heeft een telefoon ‘bij zich’, niet alleen maar ‘bij’. Waarom de zuiderling aan ‘bij’ genoeg heeft, is al helemaal een raadsel.

Laatst was ik op een feestje waar iemand iets nog nooit op had. De ideale gelegenheid om er het er nou eens uitgebreid over te hebben. Live, met echte mensen, en niet alleen in mijn eigen hoofd. Zou iemand weten waarom zuiderlingen iets ‘nog nooit op’ kunnen hebben, en noorderlingen niet?

Maar al snel bleek dat niet iedereen het zo’n fascinerend onderwerp vindt als ikzelf.

Ik schrijf om uit te kunnen praten.