‘Niemand is normaal’

Het rondreizend museum van James Brett toont kunst van buitenstaanders en autodidacten. „Creativiteit is een mensenrecht.”

Met zijn Museum of Everything laat James Brett kunst zien van mensen wiens werk niet snel in een galerie of museum komt te hangen.
Met zijn Museum of Everything laat James Brett kunst zien van mensen wiens werk niet snel in een galerie of museum komt te hangen.

Een korte introductie bij de kleine man die straks het café van de Kunsthal in Rotterdam binnen komt hollen, en in één adem een dubbele espresso, één cola, één prikwater en een vissoep bestelt en vervolgens onafgebroken zal praten. Het is James Brett, hij komt uit Londen, zwijgt over zijn leeftijd, maar is geboren in 1967 en sinds een jaar of vijf is hij de baas van zijn eigen museum: The Museum of Everything. Dat is geen gebouw met kunst erin waar je tegen betaling naar mag komen kijken. Zijn museum is een rondreizend circus, waarmee hij langs musea in Parijs, Moskou en Venetië trekt om het werk te laten zien van kunstenaars die officieel geen kunstenaar mogen heten.

De kunstenaars van het Museum of Everything zijn solisten en autodidacten. Buitenstaanders zijn het, zonderlingen soms, of om het aardiger te zeggen, zelfstandigen. Walter Potter, die met zelf opgezette katjes en eekhoorntjes een theekransje inrichtte. Of Willem van Genk; wereldvreemde kluizenaar die zijn angsten en zorgen vertaalde in potloodtekeningen.

Geen kunst gemaakt voor een publiek of de markt, geen werk dat als vanzelf terechtkomt in een galerie of museum. In de jaren zeventig werd het art brut genoemd of outsider art. Beroemde kunstenaars (Jean Dubuffet, Picasso, Duchamp) lieten zich erdoor inspireren.

Maar begin tegen James Brett niet over outsiders. Dan stuift hij op. „Zeer beledigend. De term outsider veronderstelt een inside. En dat is nou net waar hij zo’n hekel aan heeft. Aan het kleine kringetje kunstsnobs dat zegt: dit vinden wij kunst, maar dát niet. De werken van het Museum of Everything zijn kunst, de mensen die het maken kunstenaar. Althans, dat vindt James Brett. En vele anderen inmiddels ook. In Amsterdam opent museum de Hermitage half maart het Outsider Art Museum. En in Rotterdam zet de Kunsthal vanaf 5 maart de deuren open voor James Brett en honderd kunstenaars.

Op het mouwloze, wollen jasje van James Brett zit een felrode button met „To hell with Hitler”. Vintage, zegt hij. Het is een Amerikaanse propagandabadge uit 1940. Hij zucht en gaat zitten. In keurig Engels: „Ik had in bed moeten blijven.” Of nee, zegt hij: „In bad. Ja, dat was heerlijk geweest.” Om daarna monter de Nederlandstalige menukaart te pakken en „louter vloeistoffen” te bestellen. Hij is vanochtend – „zonder ontbijt”– in Rotterdam aangekomen vanuit Londen en is nu bezig de Kunsthal in te richten. Probleem is dat zijn team nog in Londen is, terwijl toch algemeen bekend is dat „de meest instabiele, minst geschikte persoon om belangrijke besluiten te nemen de baas zelf is”.

Eenmansleger

James Brett is een eenmansleger, tot de tanden toe bewapend met woorden. Hij spreekt voor en namens kunstmakers zonder stem en daarbij laat hij zich niet graag onderbreken. „Ik praat, ik leg contact, en dan gebeurt er iets.” Zijn kunstenaars komen dan bijvoorbeeld in het Tate Modern in Londen te hangen of, zoals in 2011, in de etalages van warenhuis Selfridges. „Ik had een kort gesprekje met het warenhuishoofd. Hij zegt: ‘Leuk. Richt anders eens een etalage in bij ons’. Ik zeg: ‘Ik dacht meer aan álle etalages’.” Vierduizend vierkante meter kunstwerken, twee miljoen mensen die ze zagen. James Brett: „Wat schrijft de kunstcriticus in The Guardian?” Hij telt op zijn vingers. Eén: een warenhuis is geen museum. Twee: winkelaars zijn geen museumbezoekers. Drie: dit is geen kunst. En vier: dit zijn geen kunstenaars.” En toen, zegt hij, is hij radicaal geworden. Of, om het bondig te zeggen: „Fuck all.”

Wie bepaalt dat kunst alleen maar kunst is als het gemaakt is door iemand die zich kunstenaar noemt? Kan iets niet gewoon mooi zijn, of bijzonder, of „mind blowing”? Kijk naar het werk van Nek Chand Saini, een wegenbouwer uit India. Hij maakte van sloopmateriaal een schitterend beeldenpark. Neem Minnie Evans, een Afro-Amerikaanse vrouw die werkte als conciërge en haar tijd doodde met schilderen. Haar werk hangt nu in bekende musea. Henry Darger, nog zo’n bekend geworden outsider. Zijn huisbaas ontdekte op zijn sterfbed een manuscript van ruim 15.000 pagina’s waarop hij had verbeeld wat hij met woorden nooit vertellen kon over zijn jeugd vol mishandeling en misbruik. De Mexicaan Martín Ramírez, nu wereldberoemd door zijn priegeltekeningen, maakte zijn werk in het ziekenhuis. Zwitser Adolf Wölfli zat de helft van zijn leven op de gesloten afdeling van een psychiatrische inrichting. Zijn kunst werd ontdekt door de dienstdoende psychiater.

De kunstenaars die hij net noemde zijn allemaal „zo dood als dodo’s”. Maar wat te denken van een recentere ontdekking van hem; Marianne Schipaanboord, Nederlandse. Haar werk vulde een hele vitrine in Selfridges. „Ze kwam naar de opening met een legertje helpers.” Ze is spastisch en doofstom, maar zo lomp zou James Brett het nooit formuleren. „Ze is niet gehandicapt, ze heeft een handicap. Dat is iets fundamenteel anders.” Hij vraagt geen medelijden voor de kunstenaars, niemand hoeft hun kunst sympathiek te vinden. „Beoordeel de kunst op zichzelf. Hun biografie geeft het hooguit een extra dimensie.”

Een gevangeniscel kan een atelier zijn, een ziekenhuiskamer, een tuinhuisje, een kelder. Kunst is gedrag, zegt hij. „Het is het product van een creatieve natuur. Je wordt ermee geboren.” Niet cognitieve functies bepalen of wat je maakt kunst is, maar talent. „Mensen maken het omdat ze de drang voelen zich te uiten. Misschien is het niet bedoeld als kunst, maar dat is wel het onbedoelde resultaat.” James Brett telt weer op zijn vingers. Nu zegt hij wat hij van sommige hedendaagse kunstenaars (met een hoofdletter én een kunstopleiding) vindt. Eén: „Ze schilderen ideeën in plaats van kunst.” Twee: „Ze creëren oppervlakte, geen diepte.” En drie: „Ze hebben woorden nodig om de afwezigheid van betekenis te verhullen.” Zachtjes in zichzelf pratend controleert hij of hij al zijn argumenten wel heeft opgesomd.

Pauzeknop

Ik zoek naar een moment om op de pauzeknop te drukken. Ik wil graag weten wie hij is en waarom hij zo bezeten is van die buitenstaanderskunst. Bruine ogen lichten op achter een doorzichtig brilmontuur. „Ik wil niet persoonlijk worden...” Ik wel. Heeft hij, in zijn familie, soms gehandicapten... Fout, fout, fout. „Gehandicapten...”, herhaalt hij. „Zijn we niet allemaal gehandicapt? Hebben we niet allemaal een geestelijke stoornis? Niemand is normaal en niemand is een uitzondering.” Ik bedoelde: heeft hij soms een kunstzinnige broer, een autistisch familielid, of is hij zelf soms... „Nee”, zegt hij heel beslist. „En ik ben ook geen kunstenaar. Niets in mijn biografie verklaart mijn huidige missie.” Hij komt ook niet uit de kunstwereld, zegt hij. Welke wereld wel? „Londen. Joods gezin. Best liefdevol. Conservatief, maar niet religieus. Na school ben ik snel het huis uit gevlucht. Naar Amerika.”

In Californië werkte hij in de filmindustrie. Speelfilms. Reclamefilms. „Maar als je het niet erg vindt, wil ik het nu weer even hebben over mijn museum...”, zegt hij Brits-beleefd. Voor ik iets kan tegenwerpen: „Jawel, dat doe ik. Dat vind jij leuk.”

In Amerika, zegt hij, is hij geïnspireerd geraakt door de Civil Rights Movement. „Waarom zie je zo weinig zwarte kunstenaars in een museum? Het antwoord is: Omdat ze geen officiële kunstopleiding hebben. Nee, want op kunstacademies worden ze nauwelijks aangenomen. Begrijp je dat een kunsthistorisch raamwerk zo in feite racistische keuzes maakt?” Hij vindt: creativiteit is een mensenrecht. Iedereen moet evenveel kans hebben talent te uiten. Zelf raakte hij gecharmeerd door de folk art, de volkskunst van het Amerikaanse zuiden. In Louisiana ontmoette hij een echtpaar dat van takjes en twijgen menselijke figuurtjes maakte.” Cute and crazy. Maar geen kunst, vonden ze zelf.” Hij kocht er een paar. Zoals hij later nog meer vondsten zou aanschaffen. „Al mijn muren, het plafond alles in mijn huis stond vol.” Stond? „Ik heb geen huis meer.” Hij is, zegt hij, toch altijd op reis.

Ik vraag van welk geld hij kunst koopt. Hij vouwt zijn armen over elkaar en zegt: „Ik wil het niet over geld hebben.” Stilte. „Geld is niet belangrijk. Ik kan in Herenplaats [een Rotterdams atelier voor kunstenaars met een verstandelijke beperking] voor 150 euro een schitterend werk kopen. Vind je dat veel geld?” De waarde van kunst valt niet in cijfers uit te drukken, zegt hij. Enig navragen bij kunsthandelaren leert dat James Brett beschikt over een eigen vermogen. Zijn museum is opgezet als liefdadigheidsfonds, het wordt gesteund door bedrijven, particulieren en de inkomsten van de galerie en de webwinkel. Tot zo ver de financiën.

In 2013 stond hij met zijn reizende Museum of Everything op de Biënnale in Venetië. Een van de grootste, internationale kunstmanifestaties. Het thema van de manifestatie: Encyclopedisch Paleis. Wat zagen honderdduizend bezoekers daar? Een en al outsider art. „Het leek of de hele kunstwereld zich erop stortte. Het voelde alsof me iets werd ontnomen. Dat irriteerde me. Maar tegelijkertijd irriteerde het me dat ik het irritant vond.”

Verwarrend, vond hij dat. „Mijn vader die heel praktisch en voorzichtig is, zei altijd tegen mij, de onhandige, onbesuisde zoon dat ik geen pionier moest willen zijn. Had hij dan toch gelijk?” Misschien, troost ik, is zijn missiewerk voor de outsiderkunst wel té geslaagd en is wat outside was nu inside? Hij knikt. „Ik heb besloten dat het museum en ik goed bij elkaar passen.” Na een sluiting van drie jaar opent opent het Museum of Everything nu in Rotterdam de deuren.