Haal je neus niet op voor ‘azc weg ermee’. Blijf liever in gesprek

Een flink emotioneel protest tegen een azc en de politiek zwicht. Niet voor argumenten, maar voor ‘gevoelens’ onder de bevolking. Slechte zaak, vindt H.M. van den Brink. Weldenkende mensen moeten leren dat je gewoon in gesprek kunt met reaguurders.

HEESCH - Demonstranten protesteren tegen de komst van een asielzoekerscentrum bij het gemeentehuis. Foto Robert Vos/ANP

Er werd de laatste tijd nogal vaak op de stoep gepoept. Je kon er omheen lopen, je kon het met water en zeep gaan schoonmaken, maar af en toe bracht een van de gezinsleden of een bezoeker toch de uitwerpselen en de stank mee naar binnen. Dat was niet aangenaam.

Op een avond, het was donker en het regende, hield een gestalte in een regenjopper precies voor mijn deur stil. Hij had een klein hondje bij zich dat door de hurkjes ging en kwiek zijn behoefte deed.

Een combinatie van burgermoed en welbegrepen eigenbelang – daar kwam het in het zicht van de dader nu op aan! En dus riep ik, terwijl de duistere gast alweer aanstalten maakte om verder te lopen, met een stem die snijdend moest klinken en ook nog ontzag diende in te boezemen: „Vergeet u niet iets???”

De man draaide zich om. Het was de columnist H, wiens werk ik dagelijks en vaak met bewondering las en die ik bovendien een aardige kerel vind. Verbaasd keek hij me aan en meteen begon ik me te schamen.

Hij legde uit dat hij de verrichtingen van het hondje niet had opgemerkt en helaas ook geen plastic zakje bij zich had. Kan toch gebeuren?

Ik schaamde me nu volop en begon me te verontschuldigen. Als het niet zo donker was geweest, had hij me zien blozen. Ik zei dat ik zoiets eigenlijk nooit deed, zo onbetamelijk hard roepen in een stille straat.

Ik schaamde me omdat ik me een fatsoensrakker voelde, een op schone stoepjes gestelde burgerman, een policor Gutmensch, een moraalridder die denkt zijn landgenoten van alles en nog wat zomaar te kunnen gebieden en verbieden.

De schaamte was spontaan en echt maar helemaal verklaren kon ik haar niet. Ze had iets te maken met de barse toon waarop ik mijn stadgenoot tot de orde riep. Maar ook met de schok toen ik zag dat de poepterrorist een man was met een gezicht en een naam.

Anonimiteit is gif voor een open samenleving
Over die schaamte dacht ik verder na toen minister Asscher vorige week in de semi-openbaarheid (namelijk op Facebook) zijn onder pseudoniem opererende haters aansprak, inging op hun gescheld en hun vroeg om de berichten waarin hij zowel ‘zionistenhond’ als ‘SS’er’ als ‘moslimholkruiper’ werd genoemd alvorens ze te verzenden eerst eens aan iemand anders voor te leggen, hun moeder bijvoorbeeld, of hun dochter. Het vriendelijke, op ironische toon gebrachte verzoek van Asscher om de toon van het debat te matigen was meteen groot nieuws. Waarom eigenlijk? Waarom is beledigen en schelden kennelijk de norm?

Een van de redenen lijkt me dat anonimiteit bij het spuien van meningen heel gewoon is geworden, het is bijna een recht. Terwijl anonimiteit gif is voor een open samenleving, voor ieder menselijk verband. Het zorgt voor wantrouwen en angst en staat daarom op gespannen voet met de vrijheid van meningsuiting; je weet nooit van waar de volgende aanval komt, maar wel dat de dader onzichtbaar zal zijn. Het probleem is niet alleen dat minne karaktertjes graag in het geniep roddelen over hun collega’s op de werkvloer of op hun zolderkamertje aan hun gerief komen door de minister-president te beledigen; het probleem is ook dat zoiets een mentaliteit vertegenwoordigt en soms een politieke realiteit wordt. Het is niet toevallig dat totalitaire regimes graag netwerken van anonieme verklikkers organiseren en dat in een rechtsstaat zoiets als een getuigenbeschermingsprogramma met tal van controles en waarborgen omgeven is.

Anonimiteit nodigt uit tot het doen van onbewezen beweringen en tot extreme stellingnames. Eerbiedwaardige instituties als de couranten namen dan ook vanouds geen anonieme brieven op, behalve bij hoge uitzondering en na verificatie (‘naam en adres bij de redactie bekend’). Maar inmiddels zijn we helemaal gewend aan media als GeenStijl waar anonimiteit het uitgangspunt en schelden de norm is.

GeenStijl, een dochteronderneming van De Telegraaf, heeft zijn vertakkingen op radio en tv gekregen en de traditionele concurrentie hebben zich aangepast. Eerder deze week nam ik de proef op de som door voor de rubriek ‘online-reacties’ van het weekblad Elsevier een account aan te maken. Dat is gelukt. U kunt daar nu mijn ongenuanceerde opinies over van alles en nog wat vinden, maar vooral over personen. Mijn pseudoniem is ‘Bivakmuts’.

Gevoelens, je hoeft er niet altijd naar te handelen
Ik ken weinig mensen die vinden dat het tuig in onze straten zijn gang moet kunnen gaan. Ons kabinet wil zelfs een verbod op boerka’s en integraalhelmen. Maar ook de media vormen een publieke ruimte. Waarom hoeven we daar dan niet ons gezicht te laten zien, zelfs als we iemand rechtstreeks aanspreken?

Misschien omdat we inmiddels onze spontane emoties zo belangrijk zijn gaan vinden dat de vraag of andere mensen er last van hebben niet meer aan de orde is. Een verbod op gevoelens (of op meningen) is onzinnig. Neem ze liever serieus en toon empathie.

Maar dat betekent niet dat je er naar hoeft te handelen. En toch is dat, bijvoorbeeld in de vluchtelingendiscussie, aan de orde van de dag. Een flink emotioneel protest tegen een azc en de politiek zwicht – niet voor de argumenten, maar voor de ‘gevoelens’ onder de bevolking – vooral als die lekker heftig onder woorden worden gebracht.

Het probleem daarmee lijkt me dat gevoelens per definitie niet als maatstaf kunnen fungeren. Zelfs niet als ze diep zijn, hevig, authentiek. De afkeer van joden, kleurlingen, homo’s, zigeuners, kunstenaars was, of is, bij veel mensen ook op hevige gevoelens gebaseerd.

En dus? Staan we discriminatie toe? Tolereren we de weigerambtenaar? De ratio en de rechtsstaat, maar ook de politiek, zijn er om gevoelens te beoordelen, in toom te houden, te corrigeren. Niet om ze te legitimeren of van een alibi te voorzien.

Dit nooit weer
Niet zonder reden noemde ik hierboven enkele groepen die het tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar te verduren hadden, op grond van gevoelens die nu eenmaal leefden onder het Duitse volk. Vergelijkingen en kwalificaties die gebaseerd zijn op die duistere periode vliegen je nu namelijk dagelijks om de oren.

Op zichzelf is dat niet gek. Zijn we niet opgevoed met jaarlijkse herdenkingen onder het motto ‘Dit nooit weer’? En vertoont ons tijdsgewricht niet trekken – zoals politieke en economische onzekerheid, oplevend nationalisme en isolationisme – die aan de jaren twintig en dertig doen denken? Dus natuurlijk mogen we aan die periode refereren. Maar inzichten die aan de geschiedenis worden ontleend, zijn altijd betrekkelijk en daarom niet zo geschikt om elkaar mee te lijf te gaan. Daarbij komt: waarschuwen mag, vonnissen niet. Welke opvatting je er ook op nahoudt, je bent geen kampbeul zolang je niet met een zweep naast het prikkeldraad of met een mitrailleur in een wachttoren staat. De voorbije oorlog hoort dus geen pasmunt te zijn in om het even welke huidige discussie – maar is het wel geworden.

Lodewijk Asscher wordt er dagelijks mee geconfronteerd. Zelf ben ik een onbetekenende entiteit op Twitter, maar toch ook al gebrandmerkt als fascist, bereid tot het ‘offeren van joden’ en lid van de ‘vijfde kolonne’ der islamisten.

Onrecht begint nu eenmaal vaak in taal
Een bijzondere rol bij de verharding van de toon speelt Geert Wilders. Het lijkt of de blonde leider meer mag zeggen dan andere politici, verder mag gaan en nooit afstand hoeft te nemen van wat zijn aanhangers te berde brengen. We zijn dat gewoon gaan vinden.

De PvdA sprak terecht afschuw uit toen een Katwijkse afdelingsvoorzitter onlangs liet weten dat hij het heengaan van Wilders niet zou betreuren, maar diezelfde Wilders haalt zijn schouders op als een PVV-gemeenteraadslid in Den Haag een filmpje verspreidt waarin het werpen van een atoombom op alle islamieten wordt aanbevolen.

Hij noemt mannen uit het Midden-Oosten „islamitische testosteronbommen” die „onze vrouwen en dochters” komen verkrachten en daarom preventief zouden moeten worden opgesloten. Ja, dat is vrij precies de manier waarop in Hitler-Duitsland over joodse mannen werd gesproken.

Het is een griezelig procedé: eerst plaats je een misplaatste vergelijking, in taal. Is die eenmaal geaccepteerd, dan kan de materiële consequentie volgen: sommige bevolkingsgroepen horen achter slot en grendel in een kamp.

Onrecht begint nu eenmaal vaak in taal, en met de hulp van misselijke metaforen. Noem mensen ongedierte en je mag ze verdelgen. Noem vluchtelingen een tsunami en we hebben alle reden om ze tegen te houden. Maar de asielzoekers uit Syrië zijn geen natuurramp, ze worden door mensen verdreven, en als we het woord ‘ramp’ in verband met hen al gebruiken, dan slaat het toch zeker op hun situatie, niet op de onze.

De tolerantie jegens Wilders is niet alleen een gevolg van gewenning en zelfs van aanpassing, maar heeft ook te maken met de ellendige situatie waarin hij zich bevindt. Al bijna tien jaar dag en nacht bewaakt omdat hij met de dood bedreigd wordt door terroristen. Je gunt zo’n lot niemand, hij heeft het ook zeker niet verdiend en iedere cent die aan zijn bewaking wordt besteed is welbesteed. Maar je zou wel verwachten, of althans mogen hopen, dat zijn gevoeligheid jegens andere bedreigde mensen er groter en niet kleiner door zou worden. Juist ook als het gaat over vluchtelingen dus.

Anders gezegd: het Yezidi-gezin waarvan de vader en de zonen de keel werd doorgesneden en waarvan de moeder en de dochters na een groepsverkrachting op de slavenmarkt worden verkocht, zou zielsgelukkig zijn geweest met bewaking zoals Wilders die heeft. Dat perspectief is er ook, maar je vindt het niet terug in de taal van de PVV.

Het maakt op sommigen een zwakke en zelfs wereldvreemde indruk wanneer je, geconfronteerd met oorlogsretoriek en wapengekletter, blijft verzoeken om beleefde conversatie. Alsof je een theelichtje aansteekt in een wereldbrand. Maar er brandt nog niks in Nederland, er wordt alleen nog maar gebruld en met lucifers en vuurwerk gezwaaid. Dus het kan best nog anders.

Ik voelde hoe ik mijn kaken opeenklemde
Als we dan toch parallellen trekken met voorbije perioden en hun taalgebruik dan houd ik me graag vast aan, bijvoorbeeld, Hermann Hesse’s oproep aan collega-schrijvers en journalisten (aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog) met de fraaie titel O Freunde, nicht diese Töne. Of aan de magistrale open brief die de Joodse schrijver Lion Feuchtwanger in 1941 schreef nadat een groep voormalige vrienden en collega’s zijn roman Jud Süss had verkracht tot een antisemitische film: een uitnodiging aan ‘Zeven Toneelspelers in Berlijn’ om na de oorlog bijeen te komen en nog maar eens samen te bekijken en te bespreken wat er zo slecht, zo eendimensionaal was aan deze propagandafilm waarin de hardwerkende Duitser werd voorgesteld als slachtoffer van op geld en jonge dochters beluste allochtonen.

Zo’n gesprek is niet alleen beter dan alleen maar veroordelen, het is ook beter dan het advies wat zoveel weldenkende mensen menen te moeten geven wanneer je met poep in nieuwe of oude media wordt geconfronteerd: je moet er boven staan, niet op ingaan, gewoon negeren. Zo ongeveer als we in de jaren tachtig onze neus hebben opgetrokken voor de Centrum Democraten in de hoop dat hun denkbeelden, die inmiddels bijna mainstream zijn geworden, dan vanzelf zouden verdwijnen.

Ik was toen tegen zo’n cordon sanitaire, niet uit morele of intellectuele superioriteit, maar omdat mijn huis werd verbouwd en alle bouwvakkers hartstikke leuke mannen waren die vertelden dat ze op de CD gingen stemmen. Bij de koffie en tijdens de lunch kon je heel zinnig met hen in gesprek.

Het kan dus anders en het moet. Zonder schelden en verdachtmakingen, niet anoniem maar met open boerka of vizier. We hebben dat helemaal zelf in de hand, er is geen dwang van overheid of partij voor nodig. Ik denk dat ik mij uiteindelijk daarom schaam voor mijn reactie op de man en zijn hondje. Die was onbeheerst. Ik was kwaad. Ik voelde hoe ik mijn kaken opeenklemde voor ik hem toeriep. Maar ik blijf liever in gesprek.