En daar is Ubbi de Fries, met zijn gevreesde Schelde-Vikingen!

Het komt nu weer bekend voor. Boosaardige woestelingen die jagen op het bloed van onschuldige christenen en die staan te juichen bij de ondergang van de beschaving. Dat traditionele klassieke beeld van de Noormannen, die in de negende eeuw huishielden in West Europa, lijkt wel wat op het imago van islamitische extremisten die nu Irak en Syrië onveilig maken. Hoe dát imago zich zal ontwikkelen, zullen we nog zien. Maar 1200 jaar na dato wordt nu in ieder geval het duivelse beeld van de Vikingen vakkundig ontmanteld, zeker in de laatste decennia.

Het nieuwe boek van Luit van der Tuuk (conservator van Museum Dorestad) over de Vikingen is een nieuw hoogtepunt in die ontwikkeling van een realistischer Vikingbeeld. Samengevat: het waren geen lieverdjes, maar ze vormden echt geen geïsoleerd verschijnsel. De Noormannen reisden met een zwaard in de ene hand en een weegschaal in de andere. De keuze tussen handel en plundering hing af van de mogelijkheden. De bloeiende slavenhandel in het Frankenrijk was bijvoorbeeld vrijwel geheel in handen van de Noorderlingen, die zo – in vrede – op vele markten verschenen.

Van der Tuuk gaat ook diep in op de beroemde Vikingschepen, waarvan er twee types zijn. De ene is het drakenschip: geroeide ranke ‘langschepen’, geschikt voor oorlog maar ongeschikt voor hoge zee. De andere is de ‘knarr’: een zwaar en hoog vrachtschip waarmee vooral gezeild werd.

Van der Tuuk beschrijft in soms meeslepende passages het leven in de negende en tiende eeuw. Hoe soms ook kloosterlingen zich aansloten bij Vikingbendes. En dat vastberaden boeren vaak in staat waren om Vikingbendes op een afstand te houden. En hoe Friezen ook vaak zelf meededen met de Vikingbendes. Ubbi de Fries ontwikkelde zich zelfs tot een geducht leider van de Schelde-Vikingen, de Scaldingi: actief langs alle kusten van de Noordzee. Zeeland was in de negende eeuw een waar piratennest, een Viking-vrijstaat. De Frankische ruiterij was machteloos in de drassige kustgebieden. West-Friesland (het latere Holland en Zeeland) vormde daarom een ideale uitvalsbasis: stevige zandruggen aan de kust, afgeschermd door eindeloze veenmoerassen.

De echte zeerovers waren kleinere ‘losse’ roversbenden. Maar de grotere legers en legertjes werden meestal geleid door verbannen Deense koningen en andere verliezers van Deense burgeroorlogen.

Uit het boek rijst een complex en realistische beeld omhoog van een soort Game of Thrones op zijn Karolingisch. In dit complexe politieke spel van vrije avonturiers, intrigerende Deense adel en machtige Frankische vorsten maakt Van der Tuuk zelfs vrij aannemelijk dat de meeste Vikingovervallen in de Lage Landen een onderdeel waren van interne strijd tussen Karolingische vorsten. De negende eeuw werd beheerst door een eindeloze burgeroorlog tussen kleinkinderen van Karel de Grote. Zelfs de beroemde Viking-overvallen op Dorestad zijn volgens Van der Tuuk ingestoken door keizer Lotharius van het Karolingische Middenrijk. Zo kon hij zijn jongere broer, koning Karel de Kale van West-Francia, dwarszitten. Toen Lotharius het gebied weer in handen had, hielden de overvallen direct weer op – ook omdat zijn trouwe Deense bondgenoten belast werden met het bestuur van het gebied. Aan het eind van de negende eeuw delfden die ‘Hollandse’ Vikingleiders (Rorik, Godfried) weer het onderspit in nieuwe wendingen van de Karolingische machtstrijd. Maar als het even anders was gelopen, waren Holland en Zeeland permanente Vikingstaten geworden – à la Normandië.

    • Hendrik Spiering