Dit meisje was bijna vergeten

Het Rijksmuseum in Amsterdam heeft al Breitners schilderijen van ‘Meisje in kimono’ bij elkaar gehangen. Het meisje heette Geesje Kwak. „Ze is zestien en brutaal, niet toen maar nu.”

Duizelig word je er, in de zaal in de Philipsvleugel waar het Rijksmuseum dertien schilderijen heeft opgehangen van een meisje in een kimono. Soms staat of zit ze voor een spiegel, vaak ligt of zit ze op een bed, een meisje dat meer dan honderd jaar geleden zestien was, en het nu nog steeds is, daar op die schilderijen. Wat een geluk. Ook de voorstudies en de foto’s die George Hendrik Breitner voor deze schilderijen maakte zijn aanwezig, evenals zijn ezel en een schilderkist. Hij zou zo nog een veertiende meisje kunnen maken, maar nee, de verf blijft verdroogd in de tubes zitten. Er komen geen meisjes meer bij, geen meisje dat een oorbel indoet, geen meisje dat iets leest, geen meisje dat haar handen achter haar hoofd vouwt. Of zou er toch nog een kunnen opduiken in een particuliere collectie? Op de tentoonstelling is een meisje in rode kimono te zien dat bijna vergeten was, sinds 1946 was ze niet meer in de openbaarheid te zien geweest. En net als bij de bekendere doeken – die van het Rijksmuseum zelf, van het Stedelijk, van het Gemeentemuseum Den Haag, van het Rijksmuseum Twenthe – is er hier weer heel veel jurk en heel weinig meisje. En toch is het weer haar gezicht dat de aandacht blijft trekken, ondanks de drukke patronen van de kimono, de divan, het vloerkleed en het kamerscherm. Tussen al die bloemen en vogels, ruiten en strepen is het haar gezicht dat opvalt, zelfs als dat niet is uitgelicht. Het meisje is geen bloem met de bloemen. Lucian Freud schilderde naakte mensen op zo’n manier dat een gezicht niet meer aandacht kreeg dan een elleboog of een enkel; hij bedreef een soort lichaamsdemocratie. Breitner doet iets heel anders. Het lichaam van zijn meisjes verdwijnt bijna geheel in de kimono. Worden we naar haar gezicht gezogen omdat we nu eenmaal zo geprogrammeerd zijn en wilde Breitner haar juist bloem onder de bloemen laten zijn, een meisje van plezier? Geïnspireerd door de Japanse prentkunst schilderde Breitner de meeste kimonoschilderijen met weinig diepte; het gaat om kleurvlakken. Maar dit gezicht wil geen vlak worden.

Ze vonden haar toen ordinair

Decoratief zijn werd in de negentiende eeuw al eeuwen gezien als deugd van de vrouw. Tais-toi et sois belle was in ieder geval heel makkelijk op een schilderij. De tijdgenoot zag ook een contrast tussen het model en haar omgeving, de luxe overdaad van de Japanse kimono en de Perzische kleden. Volgens de catalogus vonden critici het meisje niet ‘nobel genoeg’. „Thans vloekt het meisje met haar plebejisch uiterlijk, mismaakt van armen en handen, met de rijke Japanse omgeving”, schreef de NRC (Nieuwe Rotterdamse Courant) in 1894. Mismaakte armen en handen zou je nog op het conto van Breitner kunnen schrijven; hij schilderde soms slordig, expres of niet. Maar een ‘plebejisch uiterlijk’; waar zouden die critici dat uit afgeleid hebben? De negentiende eeuw was de eeuw van Lombroso, waarin aan de stand van iemands oren of de grootte van zijn neus van alles af te leiden was. Misdadigers hadden lage voorhoofden. Maar wat is er ordinair aan het meisje in kimono? Haar mopsneusje? Haar kleine volle lippen? De zo lieflijk geloken ogen? Misschien had Breitner daar wel iets Japans in gezien.

Misschien werd het meisje toen als plebejer gezien omdat Breitner vaker ‘volkse’ types schilderde, die als zodanig in ieder geval aan hun kleding of attributen herkenbaar waren. Wasvrouwen. Dienstmeisjes met schorten. Hoe moeilijk dat toen nog lag, blijkt uit het feit dat een kunsthandelaar Breitner eens overhaalde op een schilderij een volksvrouw te vervangen door een deftige dame omdat het doek dan beter te verkopen zou zijn. Waarschijnlijk ging men er toen automatisch vanuit dat ook het model voor het meisje met een kimono zo’n soort meisje was; alleen nu gehuld in dure kleden. Dat contrast kan ook als prikkelend zijn ervaren. Sommigen gingen nog verder: door de gelijkenis van de houding van sommige kimonomeisjes met de uit de kunsthistorie bekende figuur van de odalisk, zou het meisje een dame van lichte zeden zijn. Een hoertje. Maar misschien is die verwijzing niet eens nodig. Schildersmodellen stonden niet in veel hoger aanzien dan prostituees.

Maar toen wisten ze niet veel van haar

Over het meisje dat voor Breitner model stond in kimono is wel iets bekend, nu waarschijnlijk zelfs meer dan toen, toen de schilderijen niet met zovele tegelijk te zien waren. En de foto’s die Breitner van haar maakte, bleven verborgen: Breitner exposeerde ze niet. Het meisje heette Geesje Kwak. Ook haar oudere zus Anna heeft waarschijnlijk geposeerd voor de schilder. Over hun uiterlijk is veel meer bekend dan over hun innerlijk. Een paar feiten: hun vader was een schipper uit Zaandam. Het gezin verhuisde in 1880 naar Amsterdam. Toen ze Breitner ontmoetten, woonden Anna en Geesje in de Tweede van Swindenstraat. Anna (Ansje?) was naaister, Geesje waarschijnlijk ook. In oudere literatuur wordt ze vaak hoedenmaakster genoemd.

Op de meeste foto’s die Breitner van Geesje maakte is ze het meisje in kimono, maar hij maakte ook een paar foto’s buiten van haar; eentje in de sneeuw, met een modieus hoedje en een modieuze jas aan, een jas met een grote kraag en pofmouwen, die strak zit om haar ranke taille. Op deze foto lacht Geesje en misschien stapt ze daarom in haar gedateerde kleren zo de negentiende eeuw uit; zestien en brutaal.

Op de tentoonstelling zijn de foto’s in bescheiden formaat te zien, veel kleiner dan de schilderijen, maar ik had deze portretten wel levensgroot willen zien, of nog groter.

Met kunst heeft zo’n afbeelding vast niets meer te maken, maar wat kan mij dat schelen; geef mij Geesje. Alleen op dit portret lijkt zij een meisje voor haar eigen plezier.

Er is nog een foto van Geesje die niet gemaakt is door Breitner. Daarop poseert ze met een ander zusje in Pretoria, in witte jurken met hoge kragen en weer pofmouwen. Geesje emigreerde in 1895 met haar zus Niesje naar Zuid-Afrika. Daar overleed ze in 1899, waarschijnlijk aan tuberculose. Niesje Kwak trouwde in Zuid-Arika met de Nederlandse entomoloog Cornelis Swierstra. Haar dochter vernoemde ze in 1901 naar haar zus, Joukje Gezina.

    • Bianca Stigter