Die rare man met zijn orgeltjes

Jan Jaap Haspels (1940- 2016) leidde jaren met veel passie het Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement. Hij kocht spullen voor een habbekrats en restaureerde die zelf.

Jan Jaap Haspels deed ook als directeur graag rondleidingen in zijnmuseum Van Speelklok tot Pierement.

Wie student-rondleider wilde worden in ‘zijn’ Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement moest eerst examen doen, zo noemde hij het. Je kreeg een boekje over wat er allemaal te zien was, inclusief een lijst met technische termen die in vier talen was gesteld, en als je dan voor het eerst je eigen groep rondleidde, liep hij mee, een opschrijfboekje en een rood potlood bij de hand. Na afloop keek hij je met die pretoogjes van hem aan, die twinkeling was er altijd, en dan zei hij dat je de jaartallen toch nog wat beter moest oefenen, of iets zat mechanisch net iets anders in elkaar dan jij had verteld. Maar hij liet iedereen slagen.

Jan Jaap Haspels, museumdirecteur en conservator van 1970 tot 2006, in 1987 gepromoveerd op automatisch spelende muziekinstrumenten, overleed eerder deze maand op 75-jarige leeftijd. Hij wordt herinnerd als een markante man, erudiet, passievol, vaak wat verstrooid, soms licht-dwingend, maar vooral speels en onder alle omstandigheden zichzelf. „Hij bracht met hart en ziel en grote kennis van zaken ons museum tot bloei”, stond daags na zijn overlijden op de site van het Utrechtse Museum Speelklok, zoals het museum tegenwoordig heet. Van een rariteitenkabinet in een achterafstraatje maakte hij een museum dat in zijn soort wereldwijde bekendheid geniet – en dat deed hij met totale overgave.

Waar kwam zijn tomeloze passie vandaan? „Klokkenmaker had ik willen worden en geen meneer met een witte boord en een das achter een bureau”, begint een vraaggesprek met hem in het Algemeen Dagblad van 11 juli 1987, ter gelegenheid van zijn promotie. „Mechaniek is zó boeiend, weet je. Het leeft. Daar kun je niet vanaf blijven.” Al op zijn vijftiende zat hij achter de hout-draaibank die hij voor zijn verjaardag van zijn ouders had gekregen, na twee jaar ploeteren had hij een volledig functionerend spinnewiel klaar. Het ging toen al over tandentallen, transmissies en verhoudingen, precies wat hem zou gaan interesseren bij mechanische instrumenten. Intussen leerde hij piano en orgel spelen, dat laatste in de kerk waar zijn vader dominee was. Op vijftienjarige leeftijd was hij behalve houtdraaier ook beiaardier. Hij studeerde Engels.

In 1970 werd Jan Jaap Haspels conservator-directeur bij het piepkleine Nationaal Museum van Speelklok tot Pierement. „Hij wist: hier kun je iets bijzonders van maken”, zegt Huub Blankenberg, een van de eerste student-rondleiders, die dertig jaar zou blijven en hem later opvolgde als directeur. „Hij had een enorm geloof in de collectie. En die bouwde hij almaar uit, hij kocht spullen voor een habbekrats, die hij vervolgens zelf restaureerde.” Dirkjan Haspels, zijn zoon die later als hoofd evenementen een jaar of tien in het museum zou werken: „Hij was er altijd mee bezig, en in het begin was het niet zeker dat hij zou slagen. Zijn voormalige studiegenoten hadden al goeie banen toen hij nog elke avond op pad ging om het museum te promoten en fondsen te werven. ‘Die rare Haspels met zijn orgeltjes’, zo werd hij in het begin gezien.”

Dat veranderde snel. Verkocht hij in het begin nog zelf de kaartjes, na een tijd was er een internationaal vermaarde restauratieafdeling, had hij een uitgebreide staf aangesteld en moest het museum verhuizen wegens de toegenomen bezoekersaantallen (135.000 op het hoogtepunt) en de verveelvoudigde collectie (van 80 naar 1.100 instrumenten in 2006). Sinds 1984 is het te vinden in de monumentale, middeleeuwse Buurkerk aan de Steenweg.

Hij bleef graag rondleidingen doen (Huub Blankenberg: „Hij kon zijn kennis ongelooflijk goed uitdragen, enthousiast, scherpzinnig en grappig tegelijk”), maar was ook veel in het buitenland, om tentoonstellingen te verzorgen in Japan en Taiwan of om, op verzoek van de Italiaanse regering, het 16de eeuwse waterorgel in het Quirinaal Paleis in Rome te helpen restaureren. Een jaar vóór zijn afscheid was er de expositie Royal Music Machines, waarvoor musea over de hele wereld topstukken in bruikleen gaven. Dirkjan Haspels: „Mijn vader werkte in een niche, mechanische muziek, maar in die niche was hij de nummer één. Dat zag je goed bij die tentoonstelling: de bijzonderste muziekautomaten werden zomaar uitgeleend, niemand deed moeilijk.” De laatste jaren waren zwaar, wegens beginnende dementie. Zijn zoon: „Hij was een wetenschapsman, dit soort achteruitgang vond hij lastig. Maar hij heeft zijn kracht en waardigheid weten te behouden.”

Wat die passie was? Jan Jaap Haspels, in 1987 gebogen over een eeuwenoude papierrol van een pianola, tegen de verslaggever van het Algemeen Dagblad: „Ga je die gaatjes nu analyseren, dan vind je terug waar en wanneer de pianist zichzelf is geweest en bewust of onbewust van de partituur is afgeweken. Dat is pure emotie.”