Wel amyloïd? Plaques zo snel mogelijk opruimen?

Een vaccin tegen alzheimer. Het klinkt raar, want alzheimer is geen infectieziekte. Maar het principe van vaccinatie is om een mens tegen een ziekteverwekker te beschermen door een stof in te spuiten dat het afweersysteem activeert tegen die ziekteverwekker. Tegen een bacterie, tegen een virus. Of tegen β-amyloïdplaques in de hersenen.

AN1792 was zo’n vaccin tegen plaques. Het werkte bij muizen waarbij alzheimer werd opgewekt. In 2001 begon onderzoek bij 375 alzheimerpatiënten, een fase II-studie waarin voor het eerst naar het effect bij mensen werd gekeken.

Een jaar later komt er abrupt een einde aan dat onderzoek. Vier van de proefpersonen hebben dan een hersenontsteking. Dat aantal loopt op tot achttien patiënten, waarvan er enkele overlijden. Maar in 2008 verschijnt een publicatie waarin staat dat bij acht mensen die later aan verergerende alzheimer overleden de hersenen is onderzocht: geen amyloïdplaques meer te zien.

„De studie naar dat vaccin verliep dramatisch”, zegt Philip Scheltens, hoogleraar neurologie en directeur van het VUmc Alzheimercentrum. „maar we hebben er enorm veel van geleerd: het is mogelijk die plaques helemaal op te ruimen.”

Dat heeft alleen weinig zin als die de hersenen al hebben verwoest. „Je moet voorkomen dat die cascade op gang komt en daarmee de narigheid van het neurale verval. Daar moeten we met zijn allen heen. Daar zit vermoedelijk de crux.”

Wie onderzoek wil doen naar de eerste afzettingen van amyloïd in de hersenen, moet tijdig en accuraat diagnosticeren. Scheltens: „Dat kan, met hersenvochtonderzoek of door amyloïd-PET. Je kunt dan amyloïd-afzettingen vinden bij mensen die geen klachten hebben.”

Hoe vroeg kún je eigenlijk zien of er iets aan de hand is? „Dat loopt misschien wel 15 tot 20 jaar voor op de klachten”, zegt Scheltens. „En we weten niet of iedereen bij wie je amyloïd ziet daadwerkelijk dement wordt. Daarom is het niet nuttig om dat nu te gaan testen buiten een onderzoeksopzet. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is het wel belangrijk.”

De farmaceutische industrie heeft zijn onderzoek verplaatst naar die vroegste fase van amyloïdvorming. Naar mensen zonder klachten, maar met meetbare, verhoogde amyloïdconcentraties in hun hersenen. In onderzoek dat minstens drie jaar duurt worden nu steeds meer potentiële medicijnen onderzocht die plaquevorming voorkomen, of plaque opruimen. Mocht blijken dat die middelen de gang naar dementie vertragen, dan brandt de vraag los wie ermee te behandelen, wanneer te beginnen en hoeveel mensen onnodig worden behandeld. Precies zoals nu medicijnen tegen hoge bloeddruk en te hoog cholesterolgehalte vaak worden geslikt door mensen die het voordeel ervan nooit zullen genieten.

De wil om onderzoek te doen bij de vroege amyloïdvorming, en de ongerustheid bij veel ouderen, leidde eind jaren negentig tot een nieuwe aandoening: MCI, mild cognitive impairment. Het verschil met dementie is dat er wel zorgen zijn, en licht afwijkende tests, maar geen gevolgen voor het dagelijks leven.

Daarvan is al iets bekend over het verdere ziekteverloop. „De helft van de mensen met MCI ontwikkelt binnen drie jaar dementie”, zegt Wiesje van der Flier, hoogleraar aan het VUmc alzheimercentrum. „Er is overduidelijk een verhoogd risico, maar na 10 jaar heeft níet iedereen de diagnose dementie.” Scheltens: „En er is een Frans onderzoek waarin 30 procent van de MCI-patiënten later weer normale testuitslagen hadden. MCI is een concept waar veel discussie over is.”

Biomarkers, zoals metingen in hersenvocht en de uitslag van een MRI-scan of de amyloïd-PET-scan, zeggen wel iets over de kans van MCI-patiënten om te verslechteren. En ze zullen iets gaan zeggen over de kans van mensen zónder klachten, maar met beginnende amyloïdafzetting. Van der Flier: „Dat vind ik een van de spannende zaken voor de toekomst. Wat moeten we nou met die biomarkers? Wat betekenen ze voor een individu?” Van der Flier leidt precies daarnaar een onderzoeksproject, het ABIDE-onderzoek.