Speuren naar goed en fout in het gebied van de Bovenrijn

Dit is geen boek over de Rijn. In elk geval niet zoals de titel en het aardrijkskundige omslag doen vermoeden. Evenmin wordt de lezer meegevoerd langs een stroom filosofische vertellingen en overpeinzingen, zoals in het epos over de Donau van de Italiaanse schrijver Claudio Magris. Waar het verschilt tussen die twee rivieren in zit? Misschien in het uiteenlopende karakter van de twee: de Donau, mysterieus tot aan zijn monding toe, is niet van één enkel volk alleen, terwijl de Rijn ‘volledig over het grondgebied van de Germaanse stam stroomt,’ aldus Magris.

Een taaie en koppige grens, aldus Ben van der Velden (1942). Hij beperkt zich in deze bundel – met thema’s van religie tot milieu – tot het historisch beladen stroomgebied van de Bovenrijn, met aan de ene kant de Elzassers en aan de andere de inwoners van Baden en omstreken, onder wie hijzelf. Hij laat kenners aan het woord, liefhebbers, historici, een enkele ooggetuige en vele nakomelingen. Telkens komt het op de oorlog: de laatste, grote, maar ook de vele daarvoor, die met de bewoners solden zoals de rivier nooit deed.

Hierbij tekent zich de schuldvraag af, zo scherp als dat alleen kan in een grensgebied: aan welke kant stond jij? Als kind van zijn tijd blijft Van der Velden vissen naar een helder goed of fout. Maar hoe ouder de geschiedenis, des te gemakkelijker men zichzelf een slachtofferschap verleent. Zo presenteert de Nederlander Buijs zich nog steeds als ‘dwangarbeider’, terwijl uit de ooggetuigenverslagen blijkt dat diens Arbeitseinsatz meer een verkapte Rijnvakantie was. Halverwege wordt de lezer opgeschrikt met de schrijver, als die zelf aan de verkeerde kant van de geschiedenis terecht dreigt te komen. Of hij niet wist dat de grootste beul van strafkamp Haslach een Nederlander was, óók een Van der Velden? Als de amateurhistoricus zich heeft vergist, en de beul Van der Veer blijkt te heten, is de opluchting groot.

Van der Velden, lange tijd correspondent van deze krant in Brussel, laat het historisch oordeel over aan betrokkenen aan beide kanten van de rivier. Zelf is hij wel stellig in – soms plompverloren – beweringen over het land dat hij achterliet, over Balkenende en Wilders, of over fietsende Amsterdammers.

Het gewicht van de gesprekken in het boek (ruim honderd) wordt wellicht verklaard door deze zin: ‘Als je iemand kent, al is het maar zijn naam, geeft je dat het gevoel persoonlijk bij een gebeurtenis betrokken te zijn.’ En om diezelfde reden zoekt de lezer vergeefs naar de drijfveren van de auteur om in dit stroomgebied te gaan wonen, dat, Germaans of niet, opvallend mysterieus is gebleken.