‘Ik heb mijn familie niet geofferd’

(55) schreef een boek over zijn zusje in een Spaanse cel, een vermoord Spaans meisje en een vader die er misschien iets mee te maken had. ‘Nergens ben ik gemeen of achterbaks, wel eerlijk.’

Dit zijn de ingrediënten van het nieuwe boek van Arjan Visser (55): een jonger zusje dat in de Spaanse gevangenis belandt wegens drugshandel. Een Spaans meisje van 21 dat veertig jaar geleden is vermoord, vermoedelijk door haar moeder met wie ze een minnaar deelde. Een vader – die van Visser – die daar weleens wat mee te maken zou kunnen hebben. En een broer, zoon, schrijver en journalist die op onderzoek uitgaat en de lezer meeneemt naar het Spanje en het Brabant van zijn jeugd. Arjan Visser zelf.

Zusje Visser vertrok met man en kinderen naar Spanje om een handel in tropische vogeltjes te beginnen. Maar toen dat minder goed liep dan ze had verwacht, week ze uit naar de hasjhandel. Vader Visser was een gereformeerde jongen uit Werkendam die eind jaren zestig een exportbedrijf was begonnen in sinaasappelen uit Spanje. Overmoedig, onbezonnen, pronkzuchtig ook. Lees hoe hij met vrouw en zes kinderen in een tweedeurs Opel coupé gepropt naar de Spaanse kust reed om daar zes weken vakantie te vieren. Bittere teleurstelling toen zijn bedrijf in de jaren tachtig failliet ging.

Arjan Visser, derde van de zes kinderen, ziet overeenkomsten en patronen in het handelen van zijn vader en zusje. „Een drama was nooit hun schuld, maar altijd die van anderen.”

Wat een krantenreportage had moeten worden over hun beider Spaanse avonturen, wordt gaandeweg complexer. Arjan Visser diept in zijn geheugen ook de Spaanse krant op, die hij als jongetje vond in het witte wandmeubel in zijn ouderlijk huis. Op de voorpagina een vermoord Spaans meisje. Arjan Visser kende haar. Fina heette ze, ze had zeker een half jaar bij de Vissers in huis gewoond. De familie had haar en haar moeder ontmoet in hun Spaanse vakantiedorpje. Arjan Visser presenteert de lezer getuigenverklaringen en krantenberichten, feiten. Hij ontrafelt hardnekkige verzinsels, familiegeheimen en herinneringen. Het resultaat daarvan is gisteren verschenen: God sta me bij want ik ben onschuldig. Het is een roman die leest als een whodunnit. Maar ook een familieroman waarin hij zelf figureert als de schrijver die zich bewust is van de destructieve kracht van zijn zoektocht. Die openhartig wil zijn én zijn familie wil sparen.

En? Ben je nog op goede voet met je familie?

„Hoezo?”

Je geeft nogal wat prijs. Zusje in de drugshandel. Je overleden vader verdenk je van overspel. Je suggereert dat hij de gedeelde minnaar van Fina en haar moeder zou zijn. Je vermoedt dat hij buitenechtelijke kinderen bij hen heeft verwekt.

Hij tikt op de kaft van zijn boek, waarop staat: roman. „Dat staat er niet voor niks.”

Maar Fina is echt vermoord toch?

„Ja, de gebeurtenissen in het boek zijn echt. Maar ik heb namen en data gehusseld en mijn familieleden heb ik beschermd met een dun laagje fictie.”

Vorige week schreef Arjan Visser een artikel over zijn boek in weekblad Vrij Nederland. Hij vertelt daarin dat hij, voor het boek geschreven is, Adriaan van Dis spreekt over diens boek over zijn overleden moeder. Het motto van dat boek: you must sacrifice your family on the altar of fiction.”

Is dat wat je hebt gedaan? Je familie offeren?

„Zeker niet. Voor ik aan het boek begon, heb ik mijn moeder en zusje om toestemming gevraagd. Ze hebben het boek allebei vooraf gelezen. Mijn moeder is een slimme, lieve vrouw. Natuurlijk doet het haar wat als ze leest over haar overleden echtgenoot, die ze liefhad. En tegelijkertijd begrijpt ze heel goed wat ik, als schrijver, heb gedaan. Ze heeft de schrijver zelf gebaard. Mijn zusje schrok in eerste instantie, vooral omdat ze haar eigen misstappen nu voor het eerst zo achter elkaar gezet zag en begreep hoe stom het was dat ze voor die paar centen haar gezin in gevaar had gebracht. Nergens in het boek ben ik gemeen of achterbaks, wel eerlijk.

„Voor mijn familie komt dit niet als volslagen verrassing. Ik ben altijd degene geweest die op familieaangelegenheden de provider is van het geschreven woord. Als het niet zo soft klonk, zou ik zeggen dat dit boek ons dichter bij elkaar heeft gebracht. Wij hebben een elastieken band, altijd gehad. Meer dan over drugs of die moordzaak van veertig jaar geleden, gaat het boek over schone schijn, en over dat niks is wat het lijkt. Niemand vertelt hetzelfde verhaal. Wij, de zes kinderen Visser, hebben voor ons gevoel ieder een andere jeugd beleefd en herinneren ons een andere vader. Ik weet nog precies dat mijn broer en ik, de enige zoons, uit bed werden gehaald om deelgenoot te zijn van mijn vaders verdriet toen hij net failliet was gegaan. Dat vonden mijn ouders een goede les voor ons, de jongens. Maar mijn broer herinnert zich die scène niet.”

Je vader leeft niet meer. Hij kan zich niet meer verweren of verdedigen.

„Het lijkt of dit boek twee type lezers heeft. Een die het gewoon een spannend boek vindt. En een die het ongevraagd opneemt voor mijn familie. Ineens ontstaat er een morele discussie: of ik dit wel kan maken. In het boek dénkt de schrijver dat zijn vader misschien wel iets te maken heeft met die Spaanse moordzaak. Een gedachte, in een roman, dat is toch niet strafbaar? Dat mág toch?”

Blijkbaar was er iets in jouw vaders karakter of gedrag dat die gedachte opriep?

„Als hij nog geleefd had, had ik hem kunnen vragen wat zijn relatie nou precies was met Fina en haar moeder. Hij was een goede, lieve man. Ik ben in mijn zoektocht niets tegengekomen wat mijn beeld van hem heeft aangetast. Mijn moeder vertelde dat hij op een dag een vrouw mee naar huis bracht die hij had ontmoet in de Rotterdamse haven. Een prostituee. Rode lippen, hoge hakken. Bij ons thuis zou ze kunnen bijkomen. Raar verhaal, zeker. Maar wat nou als hij gewoon écht het beste voorhad met die vrouw? Om welke andere reden zou hij haar onderbrengen bij een gezin met zes kinderen in Werkendam? Ja, we hebben Fina ook bij ons in huis gehad, al weet niemand meer hoe lang ze is gebleven, of wat ze precies kwam doen. Ja, mijn vader heeft haar moeder financieel geholpen. En ja, Fina is vermoord. Ik doe wat elke journalist doet: ik onderzoek en vraag.”

Bestond die krant met de foto van de vermoorde Fina echt?

„Daar begon ik zelf ook aan te twijfelen. Toen ik ernaar vroeg zei mijn moeder eerst: ‘jazeker die ligt ergens op zolder’. Later, toen ik er weer naar vroeg, bleek ze hem nét te hebben weggegooid. Vier decennia had ze hem van hot naar her mee verhuisd en nu ineens was het oud papier? Dat was de vonk waardoor mijn verbeelding op hol sloeg. Wat wilde mijn moeder afdekken, welk verhaal hield ze voor me verborgen? Een van de advocaten die zich bezighield met de strafzaak van mijn zusje, zocht en vond een exemplaar van die krant. Inderdaad: Fina met open ogen en verwarde haren op de voorpagina. Heel gek, ik was ervan overtuigd dat ze door messteken om het leven was gebracht. Alweer zo’n vervormde herinnering, een vlek in het geheugen. De rode plekken in haar hals waren geen bloed, maar verkleuringen veroorzaakt door verwurging.”