Geen haast, alles is hier

Op het scherm dat in de metro hangt, de ‘live video’ waarop je jezelf met een paar seconden vertraging ongeduldig uit het raam kunt zien kijken, zie ik hoe er meer en meer lege groene stoelen overblijven naarmate we station Binnenhof naderen. Deze laatste stop van metrolijn A is een echt eindpunt, een halte waar het spoor stopt, de bestuurder uitstapt en de kop van de metro de staart wordt. Het gelijknamige overdekte winkelcentrum staat tussen hoge flatgebouwen.

Ik loop achter een grijze moeder en haar dochter door de schuifdeuren. „Daar hebben ze héle leuke vestjes”, zegt de dochter opgewekt. Ze loodst haar moeder mee. Uit de luidsprekers boven onze hoofden klinkt Stevie Wonders Superstition.

Er komen mensen voorbij op scootmobiels, mensen met krukken en achter rollators. Oudere echtparen die hun volle boodschappenkarren achter zich aantrekken over de tegelvloer. Niemand dringt, niemand die ongeduldig zuchtend probeert te passeren. Bij elke bocht vind je een ‘rustpunt’, metalen bankjes om even bij te komen van het sjouwen. Je gaat hier als vanzelf langzamer lopen.

Het meisje achter de balie van de sigarenzaak wacht geduldig tot ik mijn portemonnee gevonden heb en telt de postzegels eerst rustig na voor ze ze voorzichtig oprolt. Er is een bloemist, een kapper en een stomerij, een audi- en een opticien, en een echt bruin café met een terras, een rookruimte en stamgasten.

Ik sta nog even stil bij de de dierenwinkel waar de parkietjes op hun stokjes heen en weer springen en neus door de boekentafel voor de drogist.

Bij de uitgang zit een man op zijn rollator een shaggie te draaien. Het miezert. Als ik mijn brief op de bus heb gedaan, schuil ik in het wachthokje op het perron naast een oudere dame. Ze woont hier al dertig jaar en gaat zelden nog naar het centrum. „Ja, alles wat ik nodig heb is hier.”

Ik vertel haar dat ik stukjes schrijf over de eindhaltes van het openbaar vervoer. „O ja?” Ze denkt even na. Dan knikt ze. „Dat kun je natuurlijk ook doen.”

De metro komt eraan. Ze staat langzaam op. „Nu is het triest”, zegt ze terwijl haar hoofd naar de grauwe hemel schudt, „maar ’s zomers is het heel mooi groen. Je zou het dan moeten zien.”