Geef die hiv- remmer eens door

Het verhalendebuut Het vogelalfabet draait om dwalenden en wortellozen. Het gebrek aan houvast weet de Zuid-Afrikaan Naudé te versterken in zowel zijn stijl als het bewust weglaten van plotonderdelen.

Wat gebeurt er wanneer de emotie ligt bij de deelnemer en niet bij het verhaal, zoals het motto boven een verhaal van de Zuid-Afrikaanse schrijver S.J. Naudé in zijn debuut Het vogelalfabet suggereert? ‘De empathie met de speler in plaats van met de plot stelt Indiaas theater in staat om te dwalen. De belangstelling van de deelnemers is niet gebonden aan het verhaal, maar aan de opvoering van het verhaal.’

Gebonden aan de opvoering (en dus niet aan het verhaal zelf) en aan het dwalen: die twee elementen zijn bij uitstek van toepassing op de zeven verhalen die Naudé opnam in Het vogelalfabet. Om met de opvoering te beginnen: het is verrassend hoe Naudé om het uitwerken van het plot heen draait, en ondertussen toch een verhaal neerzet waardoor je volledig geboeid bent. Om een voorbeeld te noemen: in het openingsverhaal gaat het om een verpleegster die patiënten met HIV of aids wil behandelen, zonder dat ze hierin slaagt. Zelf wordt ze echter opgeroepen door de arts om snel langs te komen, omdat haar kanker is uitgezaaid. Ze weigert haar medicijnen in te nemen en vecht tegen de bierkaai om patiënten aidsremmers te bezorgen. Hoe het met haar afloopt, of ze nog tot andere gedachten komt, hoe het afloopt met de patiënten, het blijft allemaal in het midden. Het is alsof het verhaal midden in haar strijd stopt.

Hiv-test

In een ander verhaal krijgt een jongen de tip van zijn Berlijnse vriend zich te laten testen op het hiv-virus. Ondertussen gaat het verhaal verder, keert de jongen terug naar Zuid-Afrika om zijn stervende moeder te begeleiden. Maar hoe het met de uitslag zit, kom je als lezer niet te weten. Naudé weet daarbij over ziekte te schrijven zonder sentimenteel te worden.

Nu is een open einde niet nieuw, maar op de een of andere manier pakt Naudé het anders aan. Het is alsof hij de personages in je geest laat ronddansen, ze af en toe daar even laat uitrusten waarna ze weer verder strompelen. Je leest hoe de personages (of spelers, voor wie dichter bij het Indiase theater wil blijven) een wending proberen te geven aan het verhaal zonder dat ze bij machte zijn om dat in woorden om te zetten.

Het verklaart het rijke beeldgebruik dat in veel verhalen is terug te vinden. Zo is er een verhaal dat opent met een Japanner die ballet danst voor het Voortrekkersmonument in Pretoria. Wie het logge gebouw voor zich ziet en zich bewust is van de ideologie van de Afrikaanse nationalisten die hiermee hun voorvaderen eren omdat ze standhielden tegen Zulu en Brit, herkent de kracht van het beeld. Hier draait het niet om de taal (een Japanner die Afrikaans spreekt zal je niet vaak tegenkomen), maar gaat het om een beeld, een gebaar, een blik in een bundel waarin de rode draad ‘dwalen’ is.

Dat komt ook terug in de verschillende locaties waar de verhalen zich afspelen – waarbij het elke keer om een Zuid-Afrikaan gaat die terugkeert maar nooit helemaal zijn draai vindt (Naudé werkte zelf lang als advocaat in Londen en New York – de autobiografische laag is ongetwijfeld hoog). Alleen balletdansers weten letterlijk hun draai te vinden omdat ze alles losgooien: spieren en geest. De anderen zoeken grip zonder die te vinden. Het dwalen en het gebrek aan houvast, weet Naudé te versterken door zijn afstandelijke stijl en het vertelperspectief dat hij kiest.

Stuk voor stuk zijn het schitterende verhalen – waarbij het openingsverhaal, ‘Het busje’, zeer opvallend is. Het is de meest geëngageerde vertelling én het is alsof Naudé een verkorte versie heeft willen geven van J.M. Coetzee’s roman IJzertijd. Hierin groeit het kankergezwel van het hoofdpersonage naarmate ze meer geconfronteerd wordt met de apartheidspolitiek. Het kankergezwel staat daarin als het ware voor het schuldgevoel van de Afrikaner. Naudé situeert zijn verhaal in het heden, waar corruptie en HIV je om de oren vliegen. Bij de blanke verpleegster groeit het gezwel, terwijl ze probeert patiënten te helpen en dat terwijl het maar de vraag is of het zin heeft dat ze zich ‘opoffert voor een systeem dat haar minacht’. Het is IJzertijd anno nu. En dat Naudé dat in zo’n kort bestek voor elkaar krijgt is verbazingwekkend knap.