Europeanen voelen zich niet verbonden

Een verzameling zeer interessante essays probeert antwoord te geven op de vraag waarom niemand zich met overtuiging Europeaan voelt. Men voelt zich Italiaan, Duitser of Nederlander. En er is geen Europese culturele canon.

Waarom lukt het zo weinig mensen om met overtuiging en zelfs vreugde te zeggen: ‘Ik ben een Europeaan?’ Die vraag ligt ten grondslag aan de essays in het nieuwe nummer van het tijdschrift Nexus dat, ter gelegenheid van zijn 25-jarig bestaan is uitgegeven als een gebonden boek. De ene auteur is aanzienlijk somberder over Europa dan de andere, maar veel vertrouwen in het ideaal van een verenigd Europa heeft niemand. Behalve dan zij die langer geleden hun gedachten op papier hebben gezet. Want dat is de opzet van dit boek: tien ‘klassieke’ toespraken over Europa, van onder meer Victor Hugo, Robert Musil, Joseph Roth en Churchill en dan steeds drie hedendaagse intellectuelen die reflecteren op de vraag wat het betekent om te zeggen ‘Ik ben Europeaan’.

Europa heeft een rijke culturele geschiedenis, een humanistische traditie, je kunt er vrij reizen en handel drijven, dus waarom zouden we niet vol vreugde dat blauwe vlaggetje met de gele sterren op onze bumper plakken? Er is niemand die zich daartoe geroepen voelt. Vrijwel alle Europeanen voelen zich in de eerste plaats Duitser of Italiaan. Binnen Europa, schrijft Caroline de Gruyter, columnist van deze krant, mis je de tegenstelling tot het niet-Europese en dus wordt het Europagevoel niet versterkt. En moet het trouwens wel versterkt worden? De Tsjechische historicus Miroslav Hroch herinnert zich de ‘exhibitionistisch overkomende verklaringen van studenten dat ze in de eerste plaats Europeaan en daarna pas Nederlander of Spanjaard waren’ uit de jaren negentig toen hij doceerde aan het Europees Universitair Instituut in Florence. Ze wisten niets van de geschiedenis en cultuur van een ander land en ‘toonden geen enkele belangstelling deze lacunes in hun ontwikkeling te delgen.’

In Europa voelt men zich bij gebrek aan een gemeenschappelijke geschiedenis niet erg met elkaar verbonden, evenmin is er een culturele canon met elementen uit alle Europese culturen, en er is ook geen gemeenschappelijke vijand, zegt Hroch, die de identificatie van zo’n vijand met ‘de islam’ of ‘Rusland’ weinig overtuigend vindt. Behalve voor een minderheid van Europese intellectuelen, gelooft hij niet erg in een Europese identiteit. En daarmee legt hij de vinger op de zere plek.

Mozart, Goethe, Beethoven

In veel van deze essays wordt wel een gemeenschappelijke culturele achtergrond verondersteld waarin humanisme, mensenrechten, Verlichting, Plato, Goethe, Shakespeare, Descartes en nog wat grote namen een rol spelen. Dat is het Europa waar men wel bij zou willen horen, maar in de praktijk zie je er weinig van. Arnon Grunberg schrijft: ‘Mozart, Goethe, Beethoven, Plato of Stendhal hebben niet zoveel, of beter, net zo weinig, met de EU te maken als met het Koninkrijk der Nederlanden.’ Een economische unie verbindt ons niet met een gemeenschappelijke cultuur. Reden voor menigeen om te vinden dat een economische unie wel een erg dunne, magere en miezerige variant is van wat ‘Europa’ zou kunnen zijn.

Opmerkelijk is hoe analyses van langer geleden soms onverkort van toepassing lijken op onze tijd. Neem de opmerkingen in het briljante stuk van Robert Musil uit 1922. Hij schrijft over de tegenstellingen die onze tijd ‘op volstrekt onharmonische wijze’ in zich bergt en waarvan hij er een paar opsomt die ons ook nu bekend voorkomen, zoals die tussen ratio en emotie, tussen internationaliteit en nationaliteit, tussen eigenbelang en gemeenschapszin. Waarbij het een vergissing zou zijn te denken dat het ene lid juist is en het andere verkeerd.

Net als meer oudere schrijvers neemt Musil het woord ‘ziel’ serieus, terwijl je er nu moeilijk meer mee aan kunt komen zetten. Wel citeert Nexus-directeur Rob Riemen in zijn inleidende essay de Tsjech Radim die hij tijdens een bijeenkomst hoorde zeggen dat de Europese filosofie betekent: ‘de zorg om de ziel’. Die zorg wordt door menig auteur in dit boek gevoeld. Verfrissend is daarbij wel dat aan het verleden gerefereerd wordt, maar meestal zonder het verlangen naar de terugkeer van een nooit bestaand hebbende ideale situatie waarin elke Europeaan in een Weens koffiehuis humanistische gedachten ten beste gaf. Integendeel, voor een dergelijke vervorming van de realiteit wordt juist gewaarschuwd. Over blijft dan een verzameling vaak zeer erudiete stukken, boordevol behartenswaardige gedachten en formuleringen.

    • Marjoleine de Vos