En maar doorschrijven in die toren, zonder kind, kraai, hond of geliefde

Het kleine van de mensen in verhouding tot de kunst waar ze zich toe verhouden is belangrijke brandstof in de nieuwe roman van Marja Pruis. De critica van De Groene Amsterdammer hield zich de afgelopen jaren meer met het essay en de essayistische biografie bezig, dan met romans schrijven. In Zachte riten combineert ze fictie en essay.

Het boek vertelt het verhaal van de poëziedocente Guusje Bouhuys, die een interview afneemt van een aanbeden, oudere schrijfster in New York. De schrijfster, een radicale feministe snit, doet Bouhuys inzien wat wellicht de slotsom is van dat echte en eerlijke en nietsontziende schrijven: een bedroevende eenzaamheid. ‘Daar zit ze, in haar luxueus, gedecoreerde toonzaal, kind, kraai, hond noch geliefde om te aaien of door geaaid te worden, door uitgelachen te worden, alleen de permanente schaduw elders in de ruimte van een nerveuzig bewegende persoonlijk assistente.’ Een soort Charles Foster Kane dus, levend in haar eigen Xanadu. Je voelt aan alles dat Bouhuys, mocht zij zelf al schrijfplannen hebben gekoesterd, ze daar in die New Yorkse toren een wisse dood sterven. Het offer is te groot.

Scheppen: nee, maar dan kun je je altijd nog over het werk van anderen buigen. Je kan Bouhuys’ klassikale bespiegelingen over poëzie en haar aansporingen aan het adres van die passieve studenten beschouwen als de intellectuele kern van Zachte riten. Bouhuys is als docente, conform haar eigen voorzichtige karakter, een aftaster; ze doet geen boude weringen maar probeert de onverlichte studenten al associërend mee te trekken in een duiding die de besproken gedichten recht doet.

Boezemvriend Leon, tevens verbonden aan de vakgroep, houdt er een heel andere praktijk op na. Hij is zwieriger, meent dat kunst en wetenschap niet ver van elkaar af staan, windt een zaal met studenten om zijn vinger en dreigt met het schrijven van zijn proefschrift tegen de lamp te lopen vanwege vermeend plagiaat. Een academisch opperhoofd zet de schuchtere Guusje als het ware ‘op de zaak’, door haar te vragen Leons werk eens stiekem in te zien zodat het net zich kan sluiten.

Uiteenzettingen over kunst, een academische zedenschets, een stervende vriendin, een verdwenen broer en heimelijke vlinders tussen Guusje en Leon: het zit er allemaal in. Dat is niet alleen te veel, maar de verhalen zijn ook te weinig gecentreerd om van een krachtig narratief te spreken. Dat lijkt in lijn met de poëtica van de schrijfster, want Zachte riten geeft, behalve die titel, doorlopend signalen af dat dit niet zo’n roman is waarin het paukenslagen zal regenen. Typerend is alleen al de parafrase van W.F. Hermans’ openingszin in Nooit meer slapen. Pruis laat bij haar ook een portier in de eerste zin opdraven: ‘De portier belt naar boven om mijn komst aan te kondigen en begeleidt me naar de lift.’ Zo’n man is eerder galant dan gehandicapt. Op haar manier zoekt Pruis naar een vorm waar ze achter staat. Ambachtelijk zit het allemaal prima in elkaar, maar vuurwerk is het niet wat ze schrijft. Ik denk dan ook niet dat Pruis van knallen houdt.