En dat allemaal om een printertje

Twee ambtenaren zijn bestraft om de diefstal van een oude printer. Die namen ze helemaal niet mee, maar ze moesten dienen als voorbeeld van het nieuwe zero-tolerance-beleid van het ministerie. Donderdag streden ze in de rechtbank voor eerherstel.

foto iStock, bewerking Nrc

Ze kunnen de film nog precies afspelen, Ton en Martin – twee eenvoudige rijksambtenaren die bijna drie jaar geleden terechtkwamen in een „groteske” en „onverklaarbare” nachtmerrie op het ministerie van Veiligheid en Justitie. Sindsdien zijn zij weggezet als plegers van „ernstige integriteitsschendingen”, als „dieven” en leugenaars die „in flagrante strijd met de waarheid” verklaringen hebben afgelegd.

De kwestie werd besproken met toenmalig minister Ivo Opstelten (VVD). En Pieter Cloo, toen de hoogste ambtenaar van het departement, noemde de keiharde manier waarop met Ton en Martin werd afgerekend „een voorbeeld” voor het personeel.

Sjaak Jansen, de voormalige vertrouwenspersoon van het departement, refereerde op 3 februari tegenover NRC aan de zaak: „Er zijn mensen ontslagen omdat ze zogenaamd een oude printer hadden gestolen, wat ook nog eens niet zo was. Maar veel grotere vergrijpen werden met de mantel der liefde bedekt.”

En dat allemaal vanwege een afgeschreven Lexmark-printertje, dat niemand meer wilde hebben.

‘Ik wil rehabilitatie’

Deze donderdag proberen Ton en Martin terug te vechten, bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht. Ze hopen dat deze hoogste rechtbank voor ambtenarenzaken de toorn van het ministerie – strafontslag in het geval van Ton, schorsing en degradatie voor Martin – terugdraait. In de woorden van Martin: „Ik wil rehabilitatie. Ik ben al drie jaar aangeschoten wild, en het gaat nergens over.”

Vrijdagmiddag 22 februari 2013 waren Ton en Martin bezig hun kantoor in de oudbouw van het ministerie van Veiligheid en Justitie te ontruimen. En zij niet alleen – het hele departement ging verhuizen naar een nieuwe toren, een steenworp verderop aan de Turfmarkt. Ze mochten bijna niets meenemen, want het ministerie had „het nieuwe werken” omarmd, waardoor er geen plek meer was voor eigen spullen.

De gangen van het onttakelde kantoorcomplex stonden vol met oude blocnotes, bakjes, mokken, verbandkistjes, boeken en relatiegeschenken. Personeel mocht dat meenemen, en anders werd het weggegooid.

Op het kantoor van Ton en Martin stond nog een kleine printer, die al jaren niet meer werd gebruikt. „Die neem ik mee, dat is handig als ik thuis werk”, zei Ton. En hij ging samen met Martin op zoek naar een meerdere die een krabbel kon zetten zodat hij het apparaat mee kon nemen. Maar op de vrijdagmiddag van de verhuizing was de afdeling zo goed als leeg. „Die handtekening komt nog wel”, besloot Ton, die speciaal voor de gelegenheid zijn auto had meegenomen.

Tegen half vier uur kwam het duo met een karretje met daarop de ingepakte printer en een paar schilderijen – privébezit van Ton – klem te zitten in de sluis op de benedenverdieping. De bewaker van dienst riep hen terug, en vroeg of ze de doos open wilden maken.

Enigszins beschaamd openden Ton en Martin de doos, en legden de kwestie uit. Dat alle leidinggevenden al naar huis waren, dat het met de toestemming wel goed zou komen, dat het om een oud apparaat ging dat anders op de vuilnisbelt zou belanden. Maar de beveiliger gaf geen krimp. Zonder de verplichte krabbel kon de printer het pand niet uit. Geen punt, zeiden Ton en Martin – we brengen hem weer naar boven en regelen de toestemming maandag.

Maar na het weekeinde lagen de kaarten anders. Ton liet Martin weten af te zien van het oude apparaat, omdat „het niet goed voelde”. Meld het even aan je baas, stelde Martin nog voor, maar dat leek Ton niet nodig. Hij wilde geen slapende honden wakker maken. „Ik weet hoe het werkt bij justitie”, zei Ton donderdag in de rechtbank. „Dan is er een akkefietje, en dan dragen ze je dat na. Het stelde niets voor, en dat wilde ik zo houden.”

Het akkefietje kwam er toch, in alle hevigheid. Via een aantal schijven had de hoogste baas Pieter Cloo lucht gekregen van de zaak, en hij besloot een daad te stellen. In het kader van het door hem gepropageerde zerotolerancebeleid besloot hij, zonder zich goed in de zaak te verdiepen, dat het einde oefening was. Strafontslag, moest het worden, wegens „het trachten uit te voeren van een printer, zonder toestemming van een leidinggevende”.

Nadien bleek dat Ton waarschijnlijk toestemming had gekregen de printer mee te nemen, en dat Martin weinig meer had gedaan dan Ton helpen met het karretje.

Hierop matigde het ministerie zijn toon enigszins, maar Ton werd toch ontslagen, vlak voor zijn pensioen, en Martin teruggeplaatst naar een lagere, eerdere functie, waar hij nu al drie jaar „op eieren loopt” en binnenkort moet afvloeien.

„Dit moet gewoon gerestaureerd worden”, zei Ton in de rechtbank. „Ik snap nog steeds niet dat ik ben weggezet als dief van een lousy printer van een paar euro, die ik niet eens heb meegenomen. Dat blijft onverklaarbaar.”