Een klagende roddelkont

Minutieus hield schrijver en vertaler Max de Jong vier jaar lang een dagboek bij. ‘Een monument van de literatuur’, heette het destijds. Daar kan je ook anders over denken.

Max de Jong vond W.F. Hermans een ‘doorgewinterde intrigant’ Ongedateerde foto

Op zondag 14 maart 1948 doet Max de Jong (1917-1951) verslag van de ontmoeting met zekere Hilletje. Na een wandeling door het Vondelpark lopen ze naar haar kamer, waar ze een moeizaam gesprek voeren. Hij vindt haar oppervlakkig en lichtgeraakt, zij vindt hem arrogant en niet mannelijk genoeg. ‘Verder vindt ze me net als Riemke sloom’, noteert De Jong, duidelijk verontwaardigd. ‘Ik sloom!’.

Sloom is inderdaad niet het eerste woord dat bij je opkomt als je de ruim achthonderd bladzijden (inclusief annotaties, register en nawoord van Marsha Keja) leest waaruit dit Dagboek bestaat. Van 29 november 1947 tot 26 mei 1951 hield De Jong minutieus bij wat hij in Amsterdam zoal meemaakte als schrijver, vertaler en vooral als kamerbewoner, die steeds in de clinch lag met zijn buren. Al zijn notities geven blijk van een onophoudelijke, nerveuze dadendrang, die hem regelmatig op lange fietstochten kwam te staan, en steevast op de meest onmogelijke barrels.

Een van de bijzonderheden van het Dagboek is dat het pas onlangs, 65 jaar na de dood van Max de Jong, officieel is uitgegeven, met toestemming van de erven. In 1968, 1971 en 1990 verschenen er illegale inkijkjes in zijn aantekeningen, waardoor al veel eerder bekend was dat hij W.F. Hermans ‘een doorgewinterde intrigant’ vond en André Haakman ‘een prominente lul’. Die eerdere clandestiene uitgaven, in combinatie met zijn vroege, tragische overlijden, droegen bij aan het mysterieuze, zelfs lichtjes naar het geniale neigende zweem dat jarenlang rond de naam Max de Jong zou hangen. Liefhebbers als Geert van Oorschot, K. Schippers en Remco Campert hielden het vuurtje brandend. Volgens Van Oorschot, die al eerder zijn lange gedicht Heet van de naald (1947) had uitgegeven, behoorde het dagboek ‘tot de drie grote monumenten van de literatuur omstreeks het midden van de eeuw’.

Telegramstijl

Met die postume cultstatus in het achterhoofd is het wel even slikken als je het boek daadwerkelijk gaat lezen. Max de Jong wilde zelf graag faam verwerven met zijn essays en aforismen, maar als je naar zijn dagelijkse aantekeningen kijkt, vaak in cryptische telegramstijl, dan lijkt er geen groot denker of schrijver aan hem verloren te zijn gegaan. Het Dagboek is vooral veel van hetzelfde: geklaag over burengerucht, geklaag over geldgebrek, geklaag over rokende kachels, geklaag over te weinig slaap, geklaag over werk dat niet wil vlotten, geklaag over Evelientje, Bieneke, Minie, Hannah, Joke, Aleid, Thea en Marian die niet met hem willen wandelen, uitgaan of zoenen. Meer dan eens doet hij ook zijn beklag over het niet kunnen vinden van een halve baan. Maar als hij dan eindelijk zo’n baan heeft gevonden, als corrector, dan noteert hij op de avond van zijn eerste werkdag: ‘Pijn in mijn ogen van dat verrekte corrigeren.’

Het hoogtepunt van zijn dag was het eten in een soort mensa voor schrijvers en kunstenaars, waar hij steeds dezelfde groep mensen ontmoette. Dat bood hem de gelegenheid om nieuwtjes op te vangen (‘Van Vriesland vindt Greshoff een lul’) en zelf ook naar hartelust te kunnen praten en roddelen, waar hij dan later vaak weer spijt van kreeg. ‘Overigens nogal wat mensen voor hun hoofd gestoten’, noteert hij dan. Of: ‘En weer zei ik bijna dwangmatig hatelijkheden […]. Nu moet ik toch echt een en ander compenseren.’

Wat vooral opvalt is het ontbreken van enig praktisch vernuft bij Max de Jong, waardoor alles lang duurt en er weinig uit zijn handen komt. Misschien is dat wel wat Hilletje en anderen ‘sloom’ aan hem vinden. Als hij een fiets aanschaft, of een matras, of een overhemd, dan is het eigenlijk altijd een miskoop, die tot vele herhaalbezoeken aan de verkoper nopen. Als hij een lekkage heeft, gaat hij dapper aan de slag met asbest om de boel te dichten. ‘Asbest gekocht, 1.80 meter, meteen stuk gewaaid.’ Het lezen van de krant kost hem een uur of vijf. En ook het repareren van een paar sokken gaat hem moeizaam af: ‘Twee en een half uur zitten stoppen aan een paar vermolmde sokken en het is nog niks geworden.’

Verlangen

Naarmate het boek vordert, wordt de situatie steeds hopelozer en zijn toon deemoediger – waarmee hij toch nog medelijden en sympathie weet op te wekken. Hij vraagt zich steeds vaker af of het hem ooit nog zal lukken om een geschikte kamer te vinden, echte vrienden te maken en een heuse essayist te worden. Maar zijn grootste verlangen steekt toch steeds weer de kop op: een vrouw te vinden die iets met hem wil.

Op zaterdag 26 mei 1951 zou hij eigenlijk naar de dokter gaan, om te laten kijken naar zijn hoofd waar hij al dagenlang ‘ondragelijke’ pijn aan heeft. Als hij was gegaan, dan had misschien nog net op tijd vastgesteld kunnen worden dat er iets flink mis was (hersenvliesontsteking). Maar De Jong kiest ervoor om de dokter te laten schieten en met Kitty uit te gaan, op wie hij al een paar weken een oogje heeft. Helaas wil de conversatie niet erg vlotten. Zij ergert zich aan zijn geroddel en het wordt een moeizaam gesprek. ‘En van aanraken of met me meegaan helemaal geen sprake’, heet het gelaten. Het was een van de laatste zinnen die hij noteerde tijdens zijn onvervulde en gemankeerde schrijversleven. Twee weken later was hij dood.