Opinie

    • Piet van Reenen

De Politiecolumn: Ook de politie moet haar zorgen kwijt kunnen

Niet zo lang geleden pleitte Ruud Bik, de plv korpschef van de nationale politie in het NOS-journaal voor kleinschalige opvang van asielzoekers. Goed, maar weinig schokkend, zou je zeggen. Er zijn meer mensen geweest die in de afgelopen maanden voor kleine centra hebben gepleit en sommige gemeenten zijn er ook en met succes mee aan de slag gegaan.

Toch is het de moeite waard om er even bij stil te staan. Het is voor het eerst in tijden dat de politietop zich mengt in een publieke discussie over een urgent maatschappelijk probleem. De korpschef deed dat uiterst behoedzaam en dat is te begrijpen. Publiek optreden van politiechefs over beleidsonderwerpen is vanaf de millenniumwisseling ontmoedigd om het maar eens neutraal te zeggen. De laatste politiechef die onlangs toch nog een kritische opmerking maakte over overheidsbeleid, beleid dat rechtstreeks met zijn werk te maken had , werd door de minister in de Kamer teruggefloten. Dat was in 2013 toen de nieuwe politiechef in Zeeland-West-Brabant meldde dat zijn mensen moeite hadden met de sterk gestegen boetebedragen bij verkeersovertredingen. Hij haastte zich er aan toe te voegen dat zij uiteraard zouden doen wat hen gevraagd werd. De minister reageerde snel; de dag daarop al, en zei dat hij erover ging en niet de politiechef en dat  Hans Vissers (foto) gewoon moest doen wat hem was opgedragen. Mond houden en uitvoeren. Vissers deed dat ook. De Kantonrechter in Arnhem oordeelde weliswaar in 2015 dat de minister niet duidelijk had gemaakt dat de verhoging van de boetes zou leiden tot een grotere verkeersveiligheid en hij gaf dus de critici gelijk, maar de boetes bleven de boetes. Vissers bleef stil en met hem alle politiechefs. De nieuwe Nationale korpschef was wel in de publiciteit, maar alleen over specifieke politieonderwerpen.

De opmerking van de korpschef over kleinschalige opvang van asielzoekers doorbreekt de beleidsmatige stilte van de politietop. En dat is het bijzondere eraan. Het doorbreekt ook het voorlichtingsmonopolie van de politiebonden. De voorzitters daarvan zitten niet op die rol te wachten en vragen al jaren om een duidelijker publiek gezicht van de politietop. Dit kan een begin zijn. En het is ook van belang dat de politiechefs weer mee gaan doen in het publieke debat over onderwerpen die de politie aangaan. De korpschef en de politiechefs van de elf eenheden waaruit de politie nu bestaat, hebben een unieke kennis van de werkelijkheid in hun gebied. Hun staven hebben de capaciteit om goede analyses te maken van wat er in hun gebied speelt. Het is verstandig om daar gebruik van de maken

Dat dat zorgvuldigheid vraagt in het huidige mediapolitieke klimaat is buiten kijf. Al snel krijgen opmerkingen van politiechefs politieke relevantie, lastig bij een politietop die dicht bij de politiek zit. Het vraagt ook bestuurlijke en publicitaire vaardigheid. Het is meestal niet handig om rauwelijks de publiciteit in te gaan als je eerst niet binnendoor hebt geprobeerd gehoor te krijgen voor je opvatting. Het vraagt ook een afstemming tussen politiechefs en korpschefs. Niemand zit te wachten op een kakofonie van geluiden Het vraagt tot slot om een zorgvuldige opbouw in de tijd van wat je een bestuurlijke professionaliteit van de politietop kunt noemen. Doel daarvan moet zijn dat korpschef en politiechefs langzamerhand gezaghebbend over onderwerpen die de politie aangaan moeten kunnen spreken ook in het openbaar. Langzamerhand, omdat dat weer wennen is na een periode van stilte, omdat de vaardigheid weer moet worden ontwikkeld, omdat een stijl gezocht moet worden die passend is en ook omdat ook bestuurders en politici weer aan dat publieke gezicht moeten wennen. Het zou verspilling zijn wanneer politiechefs tot in lengte van jaren hun mond zouden moeten houden en gewoon zouden moeten doen wat hen werd opgedragen. Een verdomming van de politie zou het vermoedelijke gevolg zijn.

Eigenlijk is dat onverantwoord in een tijd waarin migratievraagstukken leiden tot brede onrust en gewelddadig protest onder de bevolking, tot de groei van rechtsradicalisme en tot mobilisatie van anti fascistische groepen terwijl tegelijkertijd de aantrekkelijkheid van islamistisch fundamentalisme toeneemt. De manier waarop de politie met de problemen rond de opvang en integratie van deze nieuwe groepen omgaat en met het protest daartegen, bepaalt voor een belangrijk deel of die opvang en de natrajecten rustig verlopen. Dat vraagt een politie die ook haar zorgen en haar visie in het publieke debat kwijt kan, helder, zorgvuldig en met begrip voor de hardnekkigheid van veel problemen.

Dit is de eerste bijdrage van Piet van Reenen aan de politiecolumn. Hij was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten. De Politiecolumn verschijnt wekelijks en wordt afwisselend geschreven door politiedeskundigen.

 

 

    • Piet van Reenen