De Oeigoer, die hadden we in de stad nog niet

foto Rien zilvold

Online-tijdschrift VersBeton vraagt zich deze week, niet eens ironisch, af of er nog wel genoeg typisch ‘Rotterdamse lelijkheid’ overblijft nu de stad zo opzichtig haar best doet om in binnen- en buitenland in de smaak te vallen.

Altijd goed, zo’n kont tegen de krib. Een stevige drempel moet er immers blijven als we die overloop van hotelgasten vanuit Amsterdam, zoals burgemeester Van der Laan voorstelt, écht niet willen. Voor je het weet zit er ook hier geen rem meer op de verhipstering en de citymarketing, en is het gedaan met onze knusse Rotterdamse onherbergzaamheid.

Restaurantaanbod

In dat licht is het dan tevens zaak om het karakteristieke restaurantaanbod in de stad wat meer te koesteren. Anders valt te vrezen dat we hier dadelijk alleen nog hamburger, dimsum, sushi, haute friture en pizza kunnen snacken, terwijl alle authentiek-exotische eethuisjes op bijvoorbeeld de West-Kruiskade hun deuren hebben moeten sluiten. De voortekenen zijn er. De Aziatische ketens die zich recent in dit stukje China Town vestigden, trekken nog net geen klanten met een ballenbak. Zelf kan ik de ondoorgrondelijkheid van de toko’s op de West-Kruiskade toen die nog niet tourist proof was intussen al best missen, terwijl dat toch nog maar zo kortgeleden is.

Gelukkig gaat het er net om de hoek op de Diergaardesingel nog als vanouds aan toe. De eethuisjes die het in dit tot dusver negentiende-eeuws gebleven stukje van de Rotterdamse ‘city lounge’ probeerden, waren de afgelopen decennia alle ingericht alsof de boel nog dezelfde avond kon worden opgedoekt, en niet zelden was dat ook praktisch het geval.

Nu zijn het een Vietnamees en een Oeigoerse Chinees die op de singel hun kans wagen. Bij die laatste, restaurant Urumqi, stapten we begin deze week binnen. Oeigoers eten: je kunt het maar een keer hebben meegemaakt, nietwaar? En mooi dat zoiets nergens anders in Nederland kan dan in Rotterdam, zeggen tenminste de eigenaren.

Mom en pop store

Urumqi, vernoemd naar de hoofdstad van de afgelegen Chinese autonome republiek Xinjian waar de meeste Oeigoeren wonen, is wat je noemt een mom and pop store. Pa en ma en nog een oom staan in de keuken, een oom bedient de grill en zoonlief de gasten. Er zit een handvol Han-Chinezen aan de belendende tafeltjes die elk met plastic zijn gedekt, er staat een flatscreen op een of andere popzender, en voor het overige is het vooral de menukaart die onze aandacht in zijn greep houdt. ‘Het is wel weer even wat anders’, zegt mijn tafelgenote terwijl ze haar vinger langs onder meer schotels met lamshoeven, kalfstong, kalfspens en noedels in azijn laat gaan.

Vette vleesjus

We kiezen voor die noedels, voor een bord pittig gekruide kebab, en voor enkele gerechten met iets van dat kalf, handgedraaide dikke pasta (typisch Oeigoers) en heel veel grofgesneden ui, paprika en wortel (idem). Het geheel wordt geserveerd in een tamelijk vette vleesjus die ons vermoedelijk extra zal moeten wapenen tegen de kou op de steppe wanneer we straks, gezeten op onze yak of zwaarbehaarde pony, weer het donkere Rotterdam in trekken.

Eerlijk eten

Zoiets is het dus hè, Urumqi. Dat soort ‘eerlijk’ eten. Dat sfeertje. Dat type knusse onherbergzaamheid. Waarbij ik dan persoonlijk de ontroering optel die zich van je meester maakt op het moment dat je beseft dat ook deze pioniers knokken voor een blijvend plekje op de Rotterdamse horecaplattegrond, temidden van alle hipster-ondernemers en nieuwe horecamiljonairs. Onbetaalbare ervaring. O nee, dat is dan weer overdreven: met zijn drieën zijn we maar 56 euro kwijt.

    • Wim de Jong