De econoom en rabbijn huizen in de dichter

In de poëtische verbeelding van zijn bestaan als wetenschapper strooit deze originele dichter met briljantjes. Wijnberg is de rederijkste van onze dichters. En soms hoor ook je de wijze rebbe in hem.

Je bent economisch geschoold, maar ook dichter. Wat gebeurt er dan als je op een dag besluit om je geleerde professie met dichtersogen te bezien? Dat moet verrassende inzichten bieden, voor beide werkvelden, want de econoom zal ongevraagd ook uitspraken doen over poëzie. Bijvoorbeeld over ‘dichters die enkel van vader op zoon de uitleg doorvertellen van woorden in oude gedichten die niemand anders meer kan lezen’. Zo’n traditioneel verschijnsel heeft ook de aandacht van dichters, maar de econoom trekt er weinig literaire conclusies uit. ‘Als zij,’ stelt hij, ‘dat wat zij als enigen nog weten gebruiken om makkelijker nieuwe gedichten te schrijven, telt dat als vermogen en kun je er belasting over laten betalen.’

De formulering is weinig poëtisch, maar deze passage staat letterlijk in Van groot belang, de nieuwe dichtbundel van Nachoem Wijnberg (1961). Tweehonderdvijftig pagina’s lang toont hij de fascinerende wisselwerking tussen de blikvelden van zijn vakgebieden. In het universitaire milieu zal zijn bundel als een opeenstapeling van pseudo-logische probleemstellingen en drogredenen worden ervaren; poëzielezers zullen vergeefs naar lyriek zoeken. Je kunt je afvragen of Van groot belang wel poëzie bevat. De vorm en de stijl zijn prozaïsch, maar her en der stoeit Wijnberg met enjambementen, en een groot aantal teksten eindigt met een ‘envoi’, alsof de voorgaande regels een ballade betroffen. De dichter kent het spel maar gaat, nu al veertien bundels lang, een volstrekt eigen weg.

Inhoudelijk is deze bundel indrukwekkend rijk. Wijnberg belicht even luchtig schuld en eigendom als vrijheid en rechtvaardigheid, vermogen en belastingen, macht en onmacht, het zakenleven, en het jodendom. Toonden eerdere bundels soms verwantschap met de chassidische legenden, nu lijkt het alsof we bij tijden een wijze rebbe horen. Toch is het joodse aspect van Wijnbergs poëzie hier ondergeschikt aan zijn algemene belezenheid. Zijn teksten verwijzen naar dichters als Heine, Kaváfis, Ginsberg, Milosz en Les Murray; het decor wisselt moeiteloos van het antieke Perzië en Griekenland, via het Napoleontische tijdperk naar het hedendaagse Irak en Palestina. Humor, hoe schrijnend soms ook, wordt niet geschuwd.

De toon in Van groot belang is vooral relativerend. Vaak met een knipoog, zoals in deze openingszin: ‘Als je een bank wilt beroven, kun je toch het beste met een kleine beginnen, want dan weet je misschien nog wat je wilde zeggen als je binnen bent.’ Hier is de wijze rebbe nabij. En waar de rebbe is, is de schlemiel niet ver, zoals in het envoi van ‘Vervolgvragen over het verband tussen specialisatie en tijdelijke arbeidscontracten’. Die slotstrofe luidt: ‘In de derde grote organisatie waarin je vader werkte / bedacht hij dat alle grote organisaties / zo waren (in de eerste dacht hij / dat hij pech gehad had, in de tweede / dat het aan hem lag).’

De betoogtrant is uitputtend. Deze bundel lees je dus niet in een ruk uit. Maar het loont om hem herhaaldelijk weer op te pakken, want Wijnberg strooit met briljantjes. Soms paginalange betogen sluit hij kernachtig af met heuse gedichten. Een kenmerkend voorbeeld, ook voor zijn eigen schrijfstijl, is het envoi van ‘Een grote generaal heeft kennis, moed, gezag en geluk’. Een gevangengenomen vogel zegt daarin tegen een generaal ‘dat hij van hoog in de lucht / de beste plaats kan zien om te rusten / en drinken.’ Laat mij hoog boven je leger vliegen, zegt hij. Maar dan volgt een tegenstem, en daarna een hilarische conclusie. [Zie de regels in het kader hiernaast.] Heel even speelt de dichter pestkop. De lezer heeft dan nog ruim tweehonderd pagina’s voor de boeg.

Als handboek voor argumentatieleer lijkt deze bundel mij van groot belang. Wijnberg is de rederijkste van onze dichters. Rijk aan drogredenen vooral, en die zijn een vliegwiel, voor poëzie én creatieve wetenschap. ‘Weet je,’ vraagt de dichter op driekwart van zijn bundel, ‘hoe ze beginnen met wetenschap en weet je wie er beginnen? Twee dwergen die een grote steen op het hoofd van een reus laten vallen. Van het bloed dat uit hem stroomt maken zij een drank en wie die drinkt weet onmiddellijk zoveel dat hij een geleerde of een dichter kan worden.’ Hier spreken econoom en dichter uit één mond.

Een andere vogel zegt:

dat zegt hij toch alleen maar

omdat hij hoopt dat je hem vrijlaat,

want als hij hoog in de lucht alles kan zien,

hoe kan het dan dat hij de val niet zag

waarin hij gevangengenomen werd

of was dat op een dag dat hij geen val verwachtte

of was dat in de nacht dat hij blind daalde

omdat hij aan iets gedacht had waaraan hij niet meer wilde denken,

en zo snel mogelijk wilde rusten en drinken?

Ja, dat zijn de twee vogels

die in hele zinnen spreken

die steeds langer kunnen worden,

je luistert en je weet dat ze nog wel even door

kunnen gaan.