‘Bij familie sta je altijd voor verrassingen’

De Noorse regisseur Joachim Trier maakte een ode aan het Amerikaanse familiedrama.

De rationele oudste zoon Jonah (Jesse Eisenberg) kan in Louder than Bombs de zelfmoord van zijn moeder niet loslaten omdat hij haar vertrouweling was.

Met 41 jaar en drie films is Joachim Trier niet langer het Noorse wonderkind: zoon uit een filmgeslacht, verre neef van Lars Von. Met Louder than Bombs is hij beland in het walhalla voor filmmakers: de hoofdcompetitie van Cannes. Zijn eerste Engelstalige film, geschreven met zijn maatje Eskil Vogt.

Louder than Bombs, over een vader en twee zonen die in het reine moeten komen met de dood – of zelfmoord – van hun beroemde vrouw en moeder, een oorlogsfotografe, is zijn ode aan het Amerikaanse familiedrama. „Oostkustdrama, met veel herfstbladeren”, zegt Trier. „Ordinary People, Kramer vs Kramer, Woody Allen in de vroege jaren tachtig, dat soort films. Over familie, loyaliteit en emoties waarmee iedereen te maken krijgt. Dat hele genre is nu naar tv gemigreerd, naar tv-series als Olive Kitteridge. In speelfilms ontaardt het tegenwoordig direct in dramady, in ironische grappen over middenklasseleed. Maar we zijn allemaal middenklasse, en pijnlijk graven in onze eigen, complexe emoties is een kick.”

U refereert aan Amerikaans familiedrama, maar de film is vaak hectisch gemonteerd. Niet echt in bedaarde herfstbladstijl ...

„Dat ligt aan mijn achtergrond. Ik ben in de jaren negentig opgeleid aan de NFTS, de National Film and TV-School in Londen. Wij studenten noemden dat toen de Nationaal Sociaal-Realistische School. Stephen Frears en Mike Leigh waren docenten, mannen die ik nu enorm bewonder om hun dramatische diepte. Maar ik was toen in de ban van Antonioni en Brian De Palma. Montage is de essentie van film, vond ik.

„De school heeft me veranderd: ik besef nou hoeveel poëzie er schuilt in Ken Loach’ sociaal-realisme. Maar er is nog iets van de oude formalist over. Mensen praten nu over de dood van de cinema, zoals ze eerder over de dood van de roman praatten. De roman heeft zichzelf vernieuwd door te experimenteren, film moet zichzelf ook heruitvinden. Niet door slow cinema of ingewikkeld doen, juist niet. Wel door te spelen met vertelstructuur, de spanningsboog in kleine stukjes te breken en het zo attractief te houden voor de YouTube-generatie.”

U verschuift continu van verteller en van perspectief. Waarom?

„Ik wilde via montage de gedachtepatronen van de protagonisten suggereren. Dat is een reclametruc geworden, maar ik denk dat film die techniek kan terugclaimen. Met montage kan je een gedachtetrein laten zien. We praten over verhalen en plot, maar film is beelden achter elkaar plakken, vertragen, versnellen, en dan maar hopen dat het in andermans hoofd tot verhaal samensmelt. Sorry, dit klinkt nogal academisch, ik neig tot overanalyseren. Maar kun je denkpatronen verfilmen? Tonen wat zich in ons hoofd afspeelt? Ik denk het wel. Laten we het proberen.”

De denkpatronen die u filmt zijn misleidend. Ze illustreren vooral misvattingen in dit gezin.

„In onze geïndividualiseerde wereld is familie zo’n beetje nog je enige zekerheid, maar daar sta je ook altijd voor verrassingen. Iedereen ervaart ooit frictie tussen de veronderstelde kindertijd die hij had en wat er achteraf werkelijk bleek te spelen. Maar dat kan ook heel bevrijdend zijn. Herinneringen zijn het fundament van je identiteit. Als je persoonlijke verhaal dubieus blijkt te zijn, kun je jezelf met nieuwe feiten als het ware opnieuw opbouwen.”

Isabelle, de fotografe, is zo vervreemd geraakt van haar gezin dat ze zelfmoord pleegt.

„Voor mij is dat een hoofdthema van de film: wereldleed tegenover de schijnbare irrelevantie van het middenklassebestaan. Iedereen, ik in elk geval zeker, voelt schuld over ellende in de wereld. Ian McEwan schreef: onze tragedie is dat we zoveel meer weten dan vroeger maar er niet meer aan kunnen doen. We weten nu dat een vis pijn ervaart, en voelen ons dus schuldig als wij vis eten. De media hijgen continu in onze nek. Voelen we ons door al die acute kennis relevanter of juist machteloos en onbelangrijk? Dat laatste, denk ik.”