Wie wil er nog bij de Rotary of de Lions?

Ze hebben het imago van oubollige herenclubs. Zijn de Rotary en de Lions nog wel van deze tijd? En met welke problemen worstelen ze?

Foto David van Dam

Zodra voorzitter Henk Griffioen op de houten zeepkist gaat staan, verstommen de gesprekken. In de Bibliotheekzaal van Bowling- en Partycentrum De Oude Tol is het eerste kopje koffie net op. Zo’n dertig hoofden draaien zijn kant op. “Vrienden, zullen we dan maar?” De wekelijkse bijeenkomst van Rotaryclub Sassenheim is begonnen.

NRC bezocht een clubavond van de Rotary in Sassenheim.

Het zijn de plekken waar je van oudsher rechters trof, chirurgen, bestuurders uit het bedrijfsleven. De succesvolle laag van de samenleving. Heren, later ook dames, die iets wilden ‘terugdoen’ voor de maatschappij. Als bijna vanzelfsprekend sloten zij zich aan bij de Rotary of de Lions, de twee grootste zogeheten serviceclubs van Nederland. Vrijwilligerswerk en netwerk ineen.

Maar de tijden zijn veranderd: het ledenbestand van deze clubs, hoewel nog altijd groot - respectievelijk 19.000 en ruim 12.000 - wordt kleiner. Het onuitgesproken credo ‘eenmaal lid, altijd lid’ maakt bovendien dat vergrijzing toeslaat. Zijn traditionele serviceclubs nog wel van deze tijd? En met welke problemen worstelen ze?

Imago

Oubollig. René Spijker, bestuurslid van Rotary Administratie Nederland, weet het zelf ook wel. “Mensen denken bij de Rotary nog altijd aan een herenclub. Beetje netwerken, lekker eten.” Onterecht, vindt hij. “Ons doel is juist maatschappelijk van aard.”

Serviceclubs waaiden begin vorige eeuw over vanuit de Verenigde Staten. Succesvolle zakenlieden toonden zich middels charity dinners en fundraisers betrokken, onderwijl bij vergaderingen werkperikelen besprekend. Lange tijd was lidmaatschap voorbehouden aan mannen, maar sinds de jaren ’80 zijn bij beide clubs ook vrouwen welkom.

Niet dat iedereen zich zomaar kan aansluiten. Er geldt sinds jaar en dag een ballotage: je moet worden gevraagd. Maar ging er van dat elitaire karakter vroeger een grote aantrekkingskracht uit, tegenwoordig werkt het clubs eerder tegen. “We proberen daar absoluut iets aan te veranderen, maar zouden graag zien dat het sneller gaat”, zegt Spijker.

Waar gaat het mis? Is het concept van traditionele serviceclub misschien gewoon passé? De Nederlandsche Tafelronde, waar de gemiddelde leeftijd 35 jaar is, lijkt met ruim 3.000 leden door heel het land het tegendeel te bewijzen. Hun opzet is behoorlijk klassiek: je moet man zijn, worden gevraagd en maatschappelijke betrokkenheid tonen. De nadruk ligt vervolgens op vriendschap en het delen van kennis, zegt nationaal woordvoerder Tom Mulder (30). Het servicegedeelte is een bijkomstigheid.

Dat geldt ook voor de Nederlandse tak van Junior Chamber International (ruim 2.500 leden), dat zichzelf ziet als ‘netwerkorganisatie voor ondernemende mensen die zich persoonlijk willen ontwikkelen’. Iedereen is welkom, maar vooraf wordt in een gesprek wel gekeken of je erbij past. Ook is de leeftijdsgrens helder: na je veertigste ben je lid af.

Het grote verschil met de Rotary en de Lions: de Tafelronde en JCI zijn in de afgelopen jaren gegroeid. Wat doen zij anders?

Verplichtingen

Een deel van het antwoord is dat er minder hoeft. Geen wekelijkse of tweewekelijkse bijeenkomsten meer, zoals bij de grote, traditionele clubs nog vaak gebruikelijk is. Geen minimum aantal uur dat je als lid wordt geacht actief te zijn. Of controle daarop. Mulder van de Tafelronde:

“Als je aanwezigheid verplicht stelt, krijg je dat business-minded mensen moeite hebben lid te blijven.”

Iets wat Elisabeth Haderer, die later dit jaar international director bij de Lions wordt, maar al te goed herkent. Het is allemaal projectmatiger tegenwoordig, zegt ze. “Vroeger werd je lid en bleef je dat. Nu worden mensen lid en denken ‘interessant voor een paar jaar, daarna kijk ik wel weer verder’. Banen zijn niet meer per definitie van negen tot vijf, op dezelfde plek, in hetzelfde land.”

De jongerentakken van de Rotary en de Lions (de Rotaract en LEO), gericht op twintigers, proberen het anders aan te pakken. “We laten onze leden zo vrij mogelijk”, zegt Rotaract-voorzitter Mark Andringa. “Je moet af en toe wel een vergadering bijwonen, maar als je maar een paar keer per jaar bij een project betrokken bent, is dat prima.”

Tegelijk is het gat met de traditionele clubs nu te groot, zeggen zij. De communicatie verloopt stroef of is afwezig en doorstroom is lastig vanwege het grote leeftijdsverschil. Daardoor kiezen hun leden rond hun dertigste eerder voor een JCI of De Nederlandsche Tafelronde.

Eigenbelang

En dan is er, los van het imago en de verplichtingen, nog een andere vraag: waarom zou je eigenlijk nog lid van Rotary of Lions wíllen worden? Vroeger deed je dat onder meer voor de internationale contacten die je kon opdoen. Tegenwoordig hoef je daarvoor niet meer bij een club.

“We leven in een afrekenmaatschappij, mensen willen precies weten wat het lidmaatschap oplevert”, zegt Spijker. Dat is volgens hem alleen niet altijd makkelijk uit te leggen. “We zien dat mensen meer kijken naar het eindresultaat dan naar het proces. Ze zien niet de vriendschappen die zijn opgebouwd gedurende projecten. Dan is het moeilijk de waarde van je club goed over te brengen.”

Serviceclubs hadden vroeger een bepaalde status, voegt Haderer van de Lions toe.

“Mensen zijn daar nu niet meer gevoelig voor. We zijn minder gezagsgetrouw.”

Uit het afgelopen jaar verschenen onderzoek Geven in Nederland 2015 van de Vrije Universiteit Amsterdam blijkt dat het percentage Nederlanders dat vrijwilligerswerk doet is gedaald van 45 procent in 2008 naar 37 procent in 2014. Ook besteedt men minder tijd aan vrijwilligerswerk, en wordt de groep die werk binnen verenigingen en stichtingen doet kleiner.

Wel is Nederland volgens Haderer nog steeds een goededoelenland. “Alleen zijn de initiatieven tegenwoordig erg individueel. Mensen beginnen op Facebook eigenhandig een actie in plaats van zich aan te sluiten bij een serviceclub.” Terwijl die volgens haar juist veel voordelen hebben. Een bekende naam en de mogelijkheid ingezamelde bedragen te laten verdubbelen door de vereniging, bijvoorbeeld.

Toch volstaat het benadrukken van enkel dat aspect niet meer, realiseren beide clubs zich. Waar de meerwaarde óók in zit? De zakelijke voordelen van het lidmaatschap. Het netwerk dat je opbouwt, de opdrachten die je elkaar kunt toeschuiven. JCI en de Tafelronde zijn er open over, voor de Rotary en de Lions ligt het anders en vaak gevoelig. “Netwerken is voor ons geen doel op zich, daar zijn andere clubs voor”, zegt Spijker. “Leden kunnen uiteraard wel zakendoen, maar dat komt dan voort uit de vriendschapsband die ze hebben opgebouwd.”

Hoe nu verder?

De uitdaging waarvoor de twee traditionele clubs nu staan is dat ze zich moeten zien aan te passen zonder dat hun identiteit verloren gaat. De eerste veranderingen zijn al doorgevoerd. Zo is bij beiden de aanwezigheidsplicht teruggeschroefd. Lag de grens bij veel Rotaryclubs op 65 procent, nu is dat vaak 50 procent. Een aantal clubs heeft de regel zelfs al afgeschaft.

Ook wordt geëxperimenteerd met ‘nieuwe vormen’ van lidmaatschap. Haderer: “We kijken naar de mogelijkheid van kleinere clubs die op projectbasis aansluiting zoeken.” Bij de Rotary zijn er al zogeheten ‘e-clubs’; mensen die, bijvoorbeeld door een internationale baan, niet regelmatig bijeen kunnen komen.

En er wordt meer gedaan aan pr. Meer naar buiten treden, zichtbaarder zijn. Op de zeepkist in Sassenheim staat niet voor niets ‘Laat je zien!’, het onlangs door de plaatselijke clubs geadopteerde motto.

En toch wringt dat soms, zegt Spijker.

“Van oudsher is de gedachte, ‘we hoeven onszelf niet op de borst te kloppen’. Maar als je wilt dat mensen lid worden, moet je meer vertellen. Anders kom je nooit van het imago af dat je alleen maar een eetclub bent.”

    • Harrison van der Vliet
    • Eva Oude Elferink