Overal zag je prostituees (maar niemand had het door)

De tentoonstelling ‘Lichte zeden’ toont hoe kunstenaars Parijse prostituees afbeeldden. Zonder streng moralisme, maar wel in het verborgene. En alleen vanuit de mannelijke blik.

Jean-Louis Forain, De Klant, 1878.
Jean-Louis Forain, De Klant, 1878.

‘Naar bed’, heet het schilderij van Jean-Louis Forain uit 1877 onomwonden. Het is niet het beroemdste kunstwerk op de prachtige tentoonstelling Lichte zeden in het Van Gogh Museum. Maar wel een van de meeste verhalende, omdat hij de verwachting van plezier uitstraalt. En daar is het de klant in de prostitutie immers om te doen is. Zij – een ontroerend kleine vrouw in negligé – houdt de kaars vast en de kamersleutel. Achter haar de reusachtige klant, in wintermantel met hoed. Op een wijze die in een andere context onwelvoeglijk zou heten, drukt hij zich tegen de vrouw aan. Haast kan het niet zijn – de flessen drank die hij meedraagt, doen een langdurig samenzijn vermoeden. Het zal dus verlangen zijn, of gêne: je weet maar nooit wie je tegenkomt op een donkere bordeelgang. Hij wil vlug naar binnen.

Lichte zeden is de Amsterdamse editie van de mega-expositie Splendeurs et misères vorig jaar in het Parijse Musée d'Orsay. Onderwerp is prostitutie in Parijs tussen 1850 en 1914, en de neerslag daarvan in de kunst. Het is natuurlijk jammer dat Manets Olympia en Een bar in de Follies Bergères in Parijs wel te zien waren maar Frankrijk niet mochten verlaten, zodat dat de Amsterdamse expositie iets kleiner uitvalt. Het doet aan de zeggingskracht van Lichte zeden geenszins af.

Het idee voor deze tentoonstelling is trouwens in Amsterdam ontstaan, vertelt Van Gogh-conservator Nienke Bakker, die ook in Parijs co-curator was. Want het Amsterdamse museum heeft niet alleen portretten van prostituees van Vincent van Gogh – waarbij je moet bedenken dat hoer en (naakt)model aanpalende beroepen waren. Ook bezit het museum curieuze prenten over prostitutie die collega-schilder Émile Bernard in 1888 aan de notoire hoerenloper Van Gogh cadeau deed, soms met moralistische bijschriften. Op Dat is het graf van mijn dromen staren klant en prostituee samen in een waskom – wat daarin drijft is niet duidelijk, maar verheffend kan het niet zijn.

Hoofdstad van de lichtzinnigheid

Over het algemeen is moralisme opvallend afwezig in de kunstwerken. Neem Vrouw op de Champs-Élysées bij nacht van Louis Anquetin uit 1890/1, een recente aanwinst van het Van Gogh, die ook een aanleiding was voor de expositie. Welke niet gewaarschuwde toeschouwer van 2016 – het oog gewend aan glamourfotografie en de banalisering van de uiterlijke kenmerken van de bohème in het straatbeeld – zou nog op de gedachte komen dat deze keurig geklede dame met voile op zoek is naar klanten? Voor meer schilderijen geldt dat ze pas na interpretatie bij het thema van de tentoonstelling passen, zodat de toeschouwer zich soms tot aangename zelfwerkzaamheid verplicht ziet.

Zeker is dat prostitutie alomtegenwoordig was in het snel groeiende Parijs van de tweede helft van de negentiende eeuw. In overeenstemming met hygiënische inzichten bleef de georganiseerde hoererij aanvankelijk discreet beperkt tot de maisons closes – bordelen in de vorm van een gesloten pension waar onder medisch en politioneel toezicht werk gedaan werd dat zowel moreel verwerpelijk als maatschappelijk noodzakelijk heette, gezien de mannelijke natuur. Je had maisons closes voor gekroonde hoofden, maar ook voor de burgerij of mindere standen – en dat bleef zo tot 1946, toen ze bij wet werden verboden.

Maar hun zwaar bewaakte monopolie raakten de maisons closes in de tweede helft van de negentiende eeuw kwijt. Er kwamen steeds meer zogeheten insoumises (on-onderworpenen) op de betaalde liefdesmarkt. Insoumise, fulltime of ter overbrugging van tijdelijke financiële krapte, kon eigenlijk iedere vrouw worden, die niet tot de hoogste kringen of de gezeten burgerij behoorde.

Economische opleving bracht miljoenen mannen en vrouwen naar Parijs, die het contact met de traditionele samenlevingsvormen in de provincie verloren. Voor de vrouwen gold daarbij dat zij van een reguliere baan alleen vaak niet kunnen rondkomen. Voeg daarbij de strenge huwelijksmoraal voor de gevestigde standen en het decor is gezet voor een stedelijke cultuur die Parijs de naam gaf van de mondiale hoofdstad der lichtzinnigheid – lees: seks.

Voor de kunstenaar een waagstuk

Tegen deze ontnuchterende achtergrond moet je ze dus ‘lezen’, deze schilderijen. Al die schijnbaar onschuldige bloemenmeisjes, serveersters, winkelmeisjes speelden hun rol in de wereld van de betaalde liefde. Enkelen brachten het daarin sociaal heel ver: zie de staatsieportretten van luxe courtisanes wier naam de hele stad kende, samen met de namen van haar prominente klanten. Een van de aardigste onder de meer dan 150 archiefstukken op de tentoonstelling is een politieregister van courtisanes, compleet met hun foto en vermelding van hun specialiteiten.

De afbeelding van de prostitutie blijft voor de kunstenaar een waagstuk – tenzij hij de hoer situeert in de Klassieke Oudheid, of de ‘lustvolle’ Arabische wereld. Een sublieme provocatie is het prachtige Rolla van Henri Gervex. Om te weten dat de daarop afgebeelde naakte vrouw die uitrust van een veelbewogen nacht, een prostituee met een gouden hart is, moest je het gelijknamige gedicht van Alfred de Musset uit 1833 gelezen hebben. De organisatoren van de Salon van 1878, die het ‘immorele’ doek verwijderden, hadden dat.

Het lijkt dus niet toevallig dat sommige van de mooiste, en meest onthullende werken op deze tentoonstelling pas na de dood van hun maker in de openbaarheid zijn gekomen. Dat geldt voor de bordeelscènes van Edgar Degas. Zijn Naakte vrouwen uit 1876/7 is trouwens het enige werk op deze expositie waarop een geslachtsdaad (cunnilingus namelijk) te zien is – afgezien dan van de talrijke vroege pornografische foto’s. En het geldt ook voor de fascinerende bordeelscènes van Henri de Toulouse-Lautrec, die mede door hun structuur – olieverf op karton – een zeer aardse uitstraling hebben. Moralistisch zijn ze niet, wel vaak cru: uitgeputte vrouw op bed, te moe om haar voeten nog van de vloer op te trekken; de intense verveling bij het eeuwig wachten op klanten; met de rok vast omhoog getrokken, wachten totdat de dokter je op syfilis controleert.

Deze volksziekte was de grote keerzijde: betaalde lichtzinnigheid was tegelijkertijd Russisch roulette. Zieke prostituees werden door de politie in het hospitaal St. Lazare in quarantaine geplaatst, in de vaak ijdele hoop dat de verschijnselen nog zouden verdwijnen en een dood onder zweren en geestesziekte nog even uitbleef. Onder andere Pablo Picasso heeft zo’n opgesloten vrouw geschilderd: De melancholie uit 1902.

Het is een van de momenten op de tentoonstelling waarop je je afvraagt wat de prostituees er eigenlijk zelf van vonden. Schilderijen, tekeningen, foto’s – het is altijd de mannelijke blik die je ziet. Dat is geen omissie van de tentoonstelling. Er is uit deze hele tijd eenvoudigweg geen vrouwelijke getuigenis over prostitutie bekend, geen schilderij, geen roman, geen autobiografie, geen uitvoerig politieverhoor. Vergeefs probeer je op pornografische foto’s iets te lezen in de blik van vrouwen die wijdbeens hun lichaam laten zien. Maar de Parijse hoeren lijken al hun mogelijke trots, ironie, plezier, walging, verzet of berusting in het graf te hebben meegenomen.