Afzien met een fladderend hart?

Handbalster Estavana Polman kreeg tijdens een wedstrijd last van hartritmestoornissen. Einde carrière?

Bij schaatser Renz Rotteveel werden twee stoornissen ontdekt: op de rechter- en de linkerhartboezem. Foto Jiri Buller/Lumen

Maandagavond competitieavond in de Deense Viborg Stadionhal in Viborg. Op het programma staat de nationale topper in het dameshandbal tussen Viborg HK en Team Esbjerg, met daarin de Nederlandse Estavana Polman. Speelster van naam, zeker sinds haar optreden met het Nederlands team op het WK in Denemarken, waar ze als spelverdeelster haar ploeg in december naar een historische zilveren medaille loodste en plaatsing voor het olympische kwalificatietoernooi van volgende maand in Frankrijk afdwong.

Maar nu is het foute boel. Polman wordt aan het einde van de tweede helft onwel en moet met spoed opgenomen worden in het plaatselijke ziekenhuis. Daar blijkt wat al twee keer eerder bleek: ze heeft last van hartritmestoornissen. Polman wordt onderzocht en moet een nacht ter observatie blijven. Ze mag een dag later naar huis. Volgens de arts van het Nederlands handbalteam, Diederik Oei, is Polman (23) al twee keer eerder getest toen ze last kreeg van hartkloppingen en twee keer eerder was de conclusie: ze kan blijven handballen. Op een hartfilmpje (ECG) werd niets afwijkends gevonden. En ook dit keer laat een woordvoerder van Team Esbjerg weten: „Er wordt niet voor haar loopbaan gevreesd.” Maar soms is meer onderzoek vereist.

Het is mei 2014 als schaatser Renz Rotteveel (27) tijdens de eerste training in aanloop naar een nieuw winterseizoen zijn lichaam flink op de proef stelt. Korte, vinnige sprints op zijn racefiets jagen zijn hartslag richting maximale waarden. De pauzes tussen de sprintjes zijn kort, en de bedoeling is dat het hartritme dan weer daalt. Bij Rotteveel gebeurt dat niet. Hij heeft een rustpols van 190.

Weer last van hartkloppingen

Het is de eerste keer dat Rotteveel, de nummer zes van het WK allround in 2013, te maken krijgt met hartritmestoornissen. Het gebeurt nadien steeds vaker, ook tijdens wedstrijden. Eind december 2015 rijdt hij tijdens de NK afstanden in Heerenveen een 5.000 meter. Vooraf maakt hij zich zorgen dat hij het weer aan zijn hart krijgt. En ja hoor, aan het begin van de rit beginnen de kloppingen. Rotteveel staakt de race en is het zat: de dokter moet hier wat aan doen. Hij krijgt een holter mee naar huis, een hartslagmeter die zijn hartritme 24 uur onafgebroken vastlegt. Het kastje ziet een stoornis – boezemfibrillatie, een ongevaarlijke maar ongemakkelijke hartritmestoornis waarbij een stuk hartspier ongecoördineerd gaat ‘fladderen’. Een zogenoemd Elektrofysiologisch Onderzoek (EFO), waarbij cardiologen met katheters via de lies van Rotteveel het hart proberen te bereiken en het daar stroomstootjes geven om een stoornis op te wekken, bevestigt wat de holter liet zien. Het gaat om de variant die handbalster Polman ook lijkt te hebben. Helemaal zeker weten doet het medisch team rond Polman dat niet. Ze onderging nog nooit zo’n EFO, zegt haar arts Oei.

Kamerfibrillatie is trouwens de andere mogelijkheid, die weliswaar minder vaak voorkomt, maar tot een hartstilstand kan leiden en dus tot de dood. Dat is een stoornis van wat je de pompende werking van het hart zou kunnen noemen. Bekend voorbeeld: voetballer Evander Sno, die in 2010 een hartstilstand kreeg tijdens een wedstrijd met Jong Ajax. Sno werd succesvol gereanimeerd, kreeg een pacemaker en een kastje dat hem een schok geeft bij weer een hartstilstand.

Bij Rotteveel worden twee stoornissen ontdekt: op de rechter- en linkerhartboezem. Vorige week woensdag werd het storende weefsel op rechts weggebrand, ook weer via die lies. Een tweede ingreep voor de linkerkant staat half maart gepland. Maar hij is voor het eerst sinds maanden rustig; er wordt wat aan het probleem gedaan.

Angstaanvallen

Bovendien: een hartritmestoornis hoeft lang niet altijd het einde van een topsportcarrière te betekenen. Op de avond dat Rotteveel van het ijs stapte bij die mislukte 5.000 meter, spreekt hij met Barbara de Loor, van wie hij weet dat ze tot 1999 met hetzelfde probleem kampte. Zij werd na een soortgelijke operatie in 2005 nog wereldkampioen op de 1.000 meter.

En Rotteveel belt met het management van de Lotto-Jumbo-wielerploeg. Daar fietste Robert Gesink tot 2014 met boezemfibrillatie rond. Bij hem leidde dat naast problemen met presteren tot angstaanvallen, die langzaam maar zeker verdwenen na een succesvolle operatie, waarbij ook weefsel werd weggebrand. Ablatie in medische termen.

Die angst bij Gesink is natuurlijk wel ergens op gebaseerd. Een verstoring van het hartritme is niet zomaar iets, en bovendien zijn er tal van oorzaken, onschuldige maar ook minder onschuldige, zegt Nicole Panhuyzen, sportcardioloog bij het Radboudumc in Nijmegen en het AMC in Amsterdam. „De boezemritmestoornissen zijn hinderlijk, maar niet dodelijk. Soms is een medische time-out noodzakelijk, soms lukt het met medicijnen, maar meestal helpt een ablatie. Maar kamerfibrilleren is gevaarlijker. Daarbij gaat het vaak om een aangeboren of erfelijke afwijking die niet op tijd is gedetecteerd. Zie het als een orkest: soms merk je een dissonant niet, en een andere keer wordt het hele muziekstuk omzeep geholpen.”

Polman, Gesink, De Loor, Rotteveel, en eerder zwemmer Joeri Verlinden, voetballer Evander Sno, en onlangs FC Twente-spits Jari Oosterwijk. Allemaal topsporters die te maken kregen met hartritmestoornissen. En die lijken voor een deel gerelateerd aan de verandering in de omvang van de hartspier, een proces dat plaatsheeft bij (duur)sporters in training. De hartspier groeit bij toenemende inspanning en wordt weer kleiner als die inspanning afneemt. Die aanpassingen kunnen mogelijk ritmestoornissen veroorzaken. Panhuyzen: „We weten dat doorsnee duursporters last kunnen krijgen van boezemfibrillatie vanaf hun 45ste. Bij niet-sporters is dat gemiddeld pas twintig jaar later.”

    • Dennis Meinema