Uit die hulp is een willoze NGO-generatie geboren

NGO’s verdringen zich in staten als Congo, smoren er ondernemerszin en zetten overheden buitenspel, ontdekte Alaye van Empel–Aderemi.

Ontwikkelingslanden raken door langdurige internationale hulp gevangen in een slachtofferrol. Dat werkt verlammend op de sociaal economische ontwikkeling van die landen. De Democratische Republiek Congo is een pijnlijk voorbeeld. Al decennia een van de landen die de meeste internationale hulp ontvangt. Maar tegelijkertijd blijft de bevolking een van de allerarmste ter wereld, bleek kortgeleden weer tijdens de presentatie van de Human Development Index van de Verenigde Naties.

Om dit perverse mechanisme van dichtbij te bestuderen besluit ik af te reizen naar Goma, Oost-Congo, vestigingsstad van de meeste humanitaire hulporganisaties. Ik kies niet het gezichtspunt van die organisaties, maar van de lokale bevolking, met slechts één vraag: hoe is het mogelijk dat miljarden dollars humanitaire hulp geen duurzame economische ontwikkeling genereren?

Het kleine toestel komt met een klap op de landingsbaan, die is gedecoreerd met oude vliegtuigwrakken. De luchthaven is een houten barak met soldaten met machinegeweren. Er is geen betere plek om economische stagnatie te onderzoeken dan hier. Door de toestroom van twee miljoen vluchtelingen uit buurland Rwanda in 1994, veranderde Oost-Congo in een humanitair rampgebied.

Ooggetuigenverslagen leren dat de vluchtelingen in de straten van Goma stierven aan cholera, honger en uitputting. Het was het startpunt van de ineenstorting van de Congolese staat enerzijds, en anderzijds het begin van de instroom van internationale humanitaire hulporganisaties. Binnen twee maanden streken er maar liefst 150 hulporganisaties neer.

Elke crisis die daarna dit gebied teisterde, of dit nu ten gevolge van een vulkaanuitbarsting of het gewapende conflict om grondstoffen was, leidde tot instroom van nog meer hulporganisaties. Elke Congolees onder de dertig die in Goma is opgegroeid, kent enkel werkloosheid, een aaneenschakeling van humanitaire crisissen, geen stromend water, nauwelijks goede wegen, militairen in het straatbeeld, en heel veel hulporganisaties.

Hier geen generatie Nix of patatgeneratie, zoals wij die in Nederland kennen. Hier zie ik een generatie die zich het beste laat omschrijven als de NGO-generatie. Zij geloven enkel in oplossingen die voortvloeien uit afhankelijkheid. Zij weten niet beter dan dat alles in hun hele leven door hulporganisaties wordt betaald, bepaald en bedacht. Destructief voor de sociaal economische cohesie van Congolezen onderling. Want waarom zou je als ondernemende Congolees in godsnaam gaan samenwerken met een andere Congolees, wanneer het uitvoeren van een bestaand project van een internationale NGO vele malen lucratiever is?

De situatie doet mij denken aan de verlammende collectieve passiviteit die exemplarisch was voor Oostbloklanden vlak na het vallen van het IJzeren Gordijn. Plotseling werd creativiteit en ondernemerschap van de bevolking gevraagd. Maar de bevolking was generaties lang geconditioneerd juist het tegenovergestelde te doen. Want onder het communisme zou creativiteit en ondernemerschap – buiten de partij om – de kortste weg naar een plek in de gevangenis zijn geweest, omdat de staat alles voorscheef. De bevolking moest zichzelf dus, na het ineenstorten van de planeconomie, opnieuw uitvinden. Die verlamming toont gelijkenissen met wat ik in Oost-Congo aantref.

De grote aanwezigheid van internationale humanitaire organisaties frustreert niet alleen het onderlinge Congolese ondernemerschap. Het is ook desastreus voor de opbouw van een centrale overheid. Aan de ene kant zorgen de diensten die de hulporganisaties aan de bevolking leveren ervoor dat de overheid gewoon op zijn handen blijft zitten en aan de andere kant is het door het salarisniveau van de buitenlandse organisaties onmogelijk om goede mensen voor overheidsfuncties te interesseren.

Daags na mijn bezoek aan Congo heb ik Dirk-Jan Koch aan de telefoon. Hij is auteur van het boek De Congo Codes, waarin hij zijn leven als ambassademedewerker en manager van een internationale NGO in Congo beschrijft. „Het salarisniveau is een groot probleem. Een secretaris-generaal van het ministerie verdiend 350 dollar per maand, zelfs een schoonmaakster van een willekeurige internationale NGO verdiend vaak meer.”

Vlak voor ik vertrek somt een vooraanstaand lid van de lokale gemeenschap zijn grieven voor mij op: „de lokale bevolking is gedegradeerd tot een willoze, passieve toeschouwer. Zolang wij niet worden gezien als deel van de oplossing, zolang er geen beroep wordt gedaan op ons intellect, maar enkel op ons slachtofferschap, zal Oost-Congo niet uit de cirkel van armoede kunnen stappen.”

Ik neem afscheid en stap voor de laatste keer achterop een ‘boda boda’, een brommertaxi die mij over wegen van gestold lava naar het vliegveld rijdt. „Mzungu, mzungu” (blanke), klinkt het onderweg. Jongentjes snellen met opgehouden hand toe. Ook mijn rol is duidelijk. In het macabere theaterstuk dat Goma heet, speel ik, of ik het nu wil of niet, de rol van de rijke witte man die iets moet komen brengen.