Liefde en hoon voor absurd Hollywood

Hail, Hollywood! was wellicht een treffender titel geweest voor de nieuwste film van de Coens. Sinds hun debuutfilm Blood Simple (1984) geven de regisserende broers blijk van hun fascinatie voor Hollywood. Meestal gebeurt het in de vorm van een klassiek Hollywoodgenre dat ze naar hun hand zetten. Zo maakten ze een film noir, een gangsterfilm, screwball comedy’s, een western, misdaadfilms en uitzinnige komedies. In al hun werk zit ambivalentie over Hollywood. Hun pastiches voldoen aan de regels van het genre dat ze onderhanden nemen, maar ze maken deze conventies ook belachelijk. Spot en bewondering gaan hand in hand.

Ook uit Hail, Caesar!, dat zich begin jaren vijftig afspeelt in Hollywood, blijkt zowel liefde voor het studiosysteem als hoon. Zorgvuldig herschiepen de gebroeders Coen scènes uit producties die een studio anno 1951 zou maken: een cowboyfilm, musical, zwemfilm, melodrama. De recreaties worden bijeengehouden door een raamvertelling over Eddie Mannix, een (echt bestaande) ‘fixer’. Mannix werkt voor de Capitol Studio – de filmstudio waar Barton Fink in de gelijknamige Coensfilm uit 1991 in dienst komt om een worstelfilm te schrijven.

Eddie zorgt dat de studio op rolletjes loopt, voornamelijk door damage control. Een voor seksplaatjes poserende starlet wordt behoed voor een schandaal, evenals een ongetrouwde, zwangere actrice (Scarlett Johansson). Die laatste casus is gebaseerd op Loretta Young die haar in een buitenechtelijke affaire verwekte baby in het geheim baarde en later zogenaamd adopteerde. Absurd maar waar. Hail, Caesar! zit vol verwijzingen naar echte Hollywoodschandalen.

George Clooney speelt de ijdele acteur Baird Whitlock. Hij is de ster van de epische bijbelfilm Hail, Caesar! maar wordt ontvoerd door ontevreden scenaristen met communistische sympathieën. De gesprekken tussen de kibbelende schrijvers en de onnozele acteur zijn erg grappig. Hail, Caesar! is een film die je kunt afdoen als (redelijk) amusant en niet meer dan dat. Evengoed kun je een betoog opzetten over wat de broers eigenlijk willen vertellen. Dan gaat het over de vraag die in veel Coenfilms aan de orde komt: hoe kun je een goed mens zijn?

Hail, Caesar! blijkt dichter te liggen bij O Brother, Where Art Thou?, hun komedie uit 2000, dan bij Barton Fink waarmee hij wordt vergeleken. De broers koppelen drie ideologieën aan elkaar, religie, communisme en Hollywood, waarbij het pretentieloze vermaak van Hollywood, hoe absurd soms ook, te verkiezen is. Een conclusie die aansluit bij O Brother, Where Art Thou?, dat verwees naar de film Sullivan’s Travels (1942) waarin een sociaal bewogen regisseur een drama wil maken dat relevant is voor de tijd waarin hij leeft, de crisis van de jaren dertig. Hij beseft dat het beter is lichtvoetige films te maken als hij gevangenen tranen met tuiten ziet lachen om Charlie Chaplin. Een les die de Coens al decennia in praktijk brengen. Dit keer minder scherp dan gebruikelijk, maar nog altijd bovengemiddeld leuk.