‘Ik wilde mijn ouders uit elkaar drijven’

(31) wilde na zijn debuutroman Eus een boek over zijn vader schrijven, maar die bleek geen ‘diepgaand karakter’ te hebben. Nu verhaalt Turis over zijn zelfonderzoek. ‘Ik werd mijn vader.’

Foto Merlijn Doomernik

Özcan Akyol had voor zijn tweede roman een plan dat verder ging dan literatuur. „Ik was inmiddels zo boos op mijn ouders, op hun achterhaalde gedachten en vastgeroeste levens, dat ik dacht: misschien kan ik met mijn werk mijn ouders uit elkaar drijven.” 

Het was min of meer hetzelfde idee als dat van Eus – Akyols roepnaam én literaire alter ego – in een van de eerste hoofdstukken van Turis. Hij neemt zich voor om naar Turkije te gaan, waar zijn vader al enige tijd verblijft, om daar zijn moeders vermoedens te toetsen. Houdt vader Turis er daar inderdaad een tweede vrouw op na? Misschien zelfs een gezin? Incriminerend bewijs zou het laatste zetje zijn voor zijn moeder om van hem te scheiden – eindelijk. ‘Ik zou een relatie die niet goed loopt stopzetten, zij [zijn ouders, red.] kiezen voor chronische achterdocht en twist’, reflecteert Eus in de roman.

Dat uiteendrijven was „een vrij bizar voornemen”, zegt Akyol (1984) in een café in Deventer, de stad waar hij geboren werd, opgroeide en nog steeds woont. Zijn ouders wonen er ook, maar contact heeft hij niet of nauwelijks meer. „Het was bizar als je bedenkt dat mijn ouders analfabeet zijn en geen Nederlands kunnen. Ze leven in een andere wereld, ze zullen niets van mijn boek meekrijgen. Maar ik voelde wel een innerlijke noodzaak om het te doen.”

De autobiografische roman is te zien als een literaire afrekening met een klootzak en uitvreter. Turis is een huistiran die zuipt en hoereert, die zijn kinderen uitscheldt en mishandelt. Akyols tweede roman is daarmee ook een vervolg op zijn autobiografische romandebuut Eus (2012), waarin vader Turis zijn kinderen krantenwijken liet lopen om zijn flessen vieux te bekostigen.

„Het is een afwijking van mij om te schrijven over dingen die me zijn overkomen. Ik merkte dat ik vastzat met een boel dingen, met relaties, mensen. Ik ging brieven schrijven, aan niemand in het bijzonder, waarin ik vertelde over mijn gevoel, mijn verdriet en ambities. Na een poosje dacht ik dat ik een brievenroman had geschreven, maar dat vond mijn uitgever geen goed idee. Ik kwam kort daarna bij mijn moeder thuis, die op dat moment met een Turkse tv-paragnost belde om te vragen of mijn vader vreemdging. Bizar, ja. Zo kreeg ik het idee om op onderzoek uit te gaan, deels voor de familie, deels om er een boek van te maken.”

Wat ontdekte je?

„Ik dacht: dit wordt mijn vaderboek, maar al schrijvend kwam ik erachter dat mijn vader geen diepgaand karakter heeft, hij is intrinsiek slecht. Tantes en ooms vertelden me dat hij als vierjarig jongetje al steentjes gooide naar de kippen en in de billen van meisjes kneep. Toen was hij al een rotkind. Ik wilde weten wat hem drijft, maar kwam tot de conclusie dat die diepte er gewoon niet is. Dat was voor mijn literatuur een flinke aderlating, want zo had ik geen interessant, gelaagd literair personage.”

Zoals je moeder wel was, die maar niet van haar man af wilde, ondanks alles.

„Dat realiseerde ik me en daarom begon ik haar fascinerender te vinden. Hoeveel kun je incasseren van iemand die je tiranniseert? Ik geef het boek niet weg door te zeggen dat ik tot de trieste conclusie kwam dat zij alles van hem accepteert. En dus ook dat mijn rol binnen de familie nietig is. Zo ontstond voor mij nog een thema: die vreemde, absolute familieband. Dat is alleen maar een bloedband, die band is gebaseerd op emotie, niet op ratio. Ik heb dat voor mezelf in het boek geprobeerd te doorbreken.”

Het verhaal over je ouders mengde zich zo vanzelf met een zelfonderzoek?

„Ja, ik was door die brieven verbanden gaan leggen. Ik spiegelde de relatie met mijn ex-vriendin heel erg aan de relatie van mijn ouders. Ik zag dat zij mijn moeder werd, en ik mijn vader.”

Met de relatie, die niet goed liep, stopte je zelf ook niet. Je bleek geen haar beter?

„Ik vond mezelf hypocriet. Ik kon mijn vader niet verwijten dat hij overspel pleegde en dat hij zich bezondigde aan alcoholmisbruik en horkerig gedrag, omdat ik toen precies hetzelfde deed. Dat was de grote frustratie: dat ik, hoewel ik die bloedband zo hekel, er toch aan vastzit.”

Het klinkt alsof je de fictie nodig had om tot dat inzicht te komen.

„Het is geen therapie ofzo, maar dankzij de fictie begrijp ik dingen beter. Dat is gek, omdat het fictie is, maar het is natuurlijk waarheidsgetrouwe fictie. Fictie vervormt, maar die fictie kan later weer waarheid worden. Sorry, dit klinkt vaag.”

Je bedoelt: je creëert een verhaal over wie je zelf bent?

„Ja. Ik schrijf erg autobiografisch, daar doe ik niet moeilijk over. Maar ik ben wel fictieschrijver, ik moet de feiten kunnen loslaten om mijn verhaal goed te kunnen vertellen.”

Wat opvalt is dat de stijl van Turis erg verschilt van die van Eus. Ingetogener, soberder. Is dat een bewuste keuze?

„Dat was mijn ambitie. Meer reflectie, psychologie, rust. Het verhaal bepaalt de stijl. Mijn eerste boek was een schelmenroman. Zo roekeloos als de hoofdpersoon door het leven gaat, zo gaat de schrijver ook door de anekdotes heen. Het tweede boek moest ik esthetisch beter inkleden, vond ik. Ik vond het verhaal te belangrijk om het op stijl kapot te laten gaan. Bovendien hoop ik elk boek beter te worden – voor mij maakt dat het schrijven leuk.”

Tegelijk is Akyol sinds zijn debuut een persoonlijkheid geworden. Hij schrijft iedere week vijf columns voor verschillende bladen, heeft een radiocolumn, schuift geregeld aan in talkshows en wordt gezien als een schrijver die een niet-gehoorde stem in de literatuur vertegenwoordigt. En sterker nog: een rolmodel, een jongen met Turkse ouders die het ver schopte door af te rekenen met zijn afkomst. Maakt die status het schrijven niet leuk? Eerder stroomden de woorden uit Akyols mond, nu aarzelt hij. „Ik ben onbedoeld geëngageerd.”

Is ‘onbedoeld’ dan ‘ongewenst’?

„Ja, soms wel, ik wil geen voorbeeld zijn, ik vind dat een last. Ik vind het mooi als mensen iets aan mij hebben en ik wil natuurlijk wel dat iedereen het goede doet, maar het is niet mijn ultieme doel. Dat is literatuur maken.”

Die rol heb je ook een beetje opgezocht, denk ik.

„Feit is dat je niet alleen kunt leven van een roman, ook niet als je er bijna 40.000 exemplaren van verkoopt. et de columns bekostig ik het schrijven van boeken. En het is ook deels zelfpijniging. Ik ben best angstig aangelegd, als ik op tv moet, lig ik weleens met zenuwen en buikkramp op bed. Daarom zijn het telkens overwinningen. Waarschijnlijk zoek ik dat op omdat ik bang ben ergens in te blijven hangen. Misschien dankzij mijn ouders, die veertig jaar lang ergens in bleven hangen.”

Zelfpijniging dus. Gaan je romans daarom ook zo nadrukkelijk over jezelf?

„Dat is ook ijdelheid. Maar ik ben ervan overtuigd dat mijn persoonlijke verhaal niet particulier is, het is universeel.”

Je had afstandelijker kunnen schrijven?

„Dan zou het voelen alsof ik me verschuil. Ik wil geen voorbeeld zijn, maar wel iets doorbreken. Namelijk dat een jeugd zoals ik die had, bestaat in onze samenleving, dat dit verhaal authentiek is.”

Is dit een frustratie?

„Nou… Ik had eerder een interview, het was een goed stuk geworden, en toen belde de eindredactie op: ze geloofden het niet. Ze vonden mijn verhaal te onwaarschijnlijk en wilden een factcheck doen. Ik zei: bel mijn moeder maar. Ze moesten me gelijk geven.”

Komt dat doordat ze zó ver afstaan van jou en je ouders afstaan, dat ze het ongeloofwaardig vinden?

„Juist. En dan is het weer aan mij de taak om in de literatuur te laten zien dat die wereld wel bestaat. Al moest ik bij het schrijven de werkelijkheid vaak temperen, omdat mijn meelezers zeiden dat het niet geloofwaardig was. Dat is pas frustrerend. Maar dat is nog iets anders dan de waarheid verloochenen, gelukkig.”

Blijf je autobiografisch schrijven?

„Mijn derde boek wordt ook autobiografisch. Daarna weet ik het nog niet. Ik zei vorige week tegen mijn huidige vriendin: schat, ik ben zo gelukkig met jou, maar in literaire zin haal ik niets uit onze relatie. Ze keek me verschrikt aan, teleurgesteld. Ik zei: dat is juist positief! Want mijn boeken zijn allemaal ellende en frustratie.

„Mijn vriendin is hoogzwanger.” Hij wijst naar de roman. „Ik hoop echt vurig dat mijn dochter niet de noodzaak gaat voelen om ooit zo’n soort roman over mij te schrijven.”