Het zal je kind maar zijn

Mensje van Keulens boek Schoppenvrouw, over een moeder met een gewelddadig kind, is duister en mooi.

Illustratie Paul van der Steen
Illustratie Paul van der Steen Illustratie Paul van der Steen

Wanneer een vrouw van middelbare leeftijd denkt aan iemand die ze vroeger heeft ontmoet en hoopt dat hij inmiddels dood is, dan is de kans groot dat je een leuk personage te pakken hebt. Wanneer ze ook nog eens hoopt dat hij een akelige dood is gestorven, dan is het wel zeker dat het om een leuk iemand gaat. Van rancuneuze personages krijg je immers nooit genoeg.

Mensje van Keulens nieuwe roman Schoppenvrouw draait om galeriehoudster Paula (haar man deed haar ooit ongevraagd een galerie cadeau), die terugdenkt aan een medium dat haar in de puberteit had gewaarschuwd nooit kinderen te krijgen, omdat die haar slecht ‘zouden bekomen’. De klaveren zeven, de schoppenvrouw en de klaveren aas waren het bewijs, meende de man. Paula krijgt desondanks een dochter.

Schoppenvrouw opent met een scène waarin Paula naar het tv-programma Opsporing verzocht kijkt. Daar wordt verteld hoe een bejaard echtpaar is overvallen: de man is dood en de vrouw heeft een bloedende oorlel omdat er een oorbel is uitgetrokken. Paula weet direct dat haar dochter de dader is. Hoe ze daarmee moet omgaan, weet ze niet. ‘Ik twijfel zo aan alles dat het haar tot een vreemde maakt. Een vertrouwde vreemde die een oude man doodt en vervolgens in staat is zijn vrouw een oorbel af te rukken. Waar ik me het minst raad mee weet is dat ze kan leven met wat ze heeft gedaan.’

Onvermijdelijk doet het gegeven van de misdaad van een kind en hoe hiermee om te gaan denken aan Het diner van Herman Koch. Hierin probeert vooral een vader alles om de misdaad van zijn kind te verhullen, waarbij die vader uiteindelijk net zo’n psychopaat blijkt als kindlief. Bij Van Keulen is de vader ook aanwezig, met een opmerkelijke rol, maar draait het om Paula’s perspectief. Uiteraard is er eerst het schuldgevoel: heeft ze iets gemist, waren er in de kleutertijd al signalen van gewelddadigheid? Daarna komt de woede: hoelang denkt haar dochter te kunnen doen alsof er niets aan de hand is en waarom snurkt haar man de hele nacht door? En dan de actie: waarom geen wraak op de ziener, die haar destijds heeft ontraden kinderen te nemen?

Ze heeft de man ooit ontmoet bij een occult jeugdvriendinnetje, dat in een groot huis aan de Keizersgracht woonde, met haar afwezige vader, ziekelijke moeder en een broer, liefhebber van Wagner en dure wijnen, die in alles verderf zag – waarmee overigens de levenshouding van de meeste personages wordt geduid. De decadente, gothic wereld waarnaar Paula in dat grachtenpand werd meegenomen, was een ontsnapping aan haar eigen moeder die constant ratelde, zowel thuis als bij het schoteltje met muntjesvoor de wc in het Amsterdamse Americain.

Duurdoenerij

De mysterieuze oplichterij en duurdoenerij worden mooi afgezet tegen de wereld van Paula’s moeder, die zo simpel is dat ze praat zonder interpunctie. Vooral in de stijl wordt het contrast duidelijk, want in wezen is er weinig verschil tussen een Jomanda-achtig medium dat verklaart dat kinderen je rampspoed zullen brengen en een moeder die uitlegt dat je echtgenoot niet oud zal worden omdat hij kleine oren heeft. Goed, dat laatste is iets waar je om lacht, het eerste laat je met een knoop in de maag achter. Maar dat komt vooral door de manier waarop Van Keulen beide opmerkingen situeert en omschrijft: de ziener in donkere jas met kaarten versus de wc-mevrouw. Van Keulen zet beiden schitterend neer.

Schoppenvrouw is duisterder dan Van Keulens vorige roman, Liefde heeft geen hersens – ook over een moeder die weet dat haar kind schuldig is aan de dood van een bejaarde, maar die uit liefde voor het kind de daad probeert te verdoezelen.

Dat wil overigens niet zeggen dat Schoppenvrouw alleen maar duisternis is. Dankzij mooie beschrijvingen van de personages, valt er veel te lachen. Zoals in al haar werk weet Van Keulen ook nu in enkele zinnen iemand te typeren. Zo is Paula’s man notaris. Hij heeft ‘geen klanten maar cliënten’, is welwillend, gaat nooit conflicten aan en draagt sinds zijn studententijd ’s nachts pyjama’s met korte mouw van Engelse snit. Die blote arm is aanleiding om haar slapende man te observeren: ‘Zijn arm rust als een reuzenlarf op zijn zij, met aan het eind een kop waar geen plekje eelt aan zit. De glanzende trouwring, die hij iedere ochtend voor hij doucht op de console van zijn wastafel legt.’

De troef die de notaris uitspeelt in de kwestie met de dochter blijft hier in het midden. Maar verrassend en tegelijkertijd volkomen logisch is die wel. In dat opzicht verschilt Schoppenvrouw ook van Liefde heeft geen hersens of Het diner: er wordt geen psychologische verklaring gezocht, Paula moet het doen met de kaarten die op tafel zijn gelegd. Hoe ze daarbij buitenspel wordt gezet, is een verrassende wending die deze mooie roman vol geweldige typeringen nog sterker maakt dan de in thema verwante voorganger.