Opinie

Gemeenten zijn niet zo inefficiënt

Onlangs is mijn straat opnieuw ingericht. Nieuw asfalt, nieuwe stoeptegels, en zo zag het er weer fris uit. De bestrating was niet eens klaar toen bleek dat de nieuwe inrichting leidde tot gevaarlijke verkeerssituaties. Het kruispunt werd deels afgesloten en opnieuw bestraat. U kunt zich de ergernis in de buurt voorstellen. U kent uit uw eigen omgeving ongetwijfeld soortgelijke verhalen. Kunnen die gemeenten dan helemaal niks?

Vandaar dat ik de uitkomst van een onderzoek van Maarten Allers en Wouter Vermeulen zo verrassend vind. Maarten Allers werkt bij het COELO (een economisch onderzoeksinstituut voor gemeenten en provincies), Wouter Vermeulen bij het Centraal Planbureau. Hij is een oud-collega van mij. Gemeenten zijn voor hun inkomsten goeddeels afhankelijk van een ‘algemene uitkering’ die zij van de rijksoverheid ontvangen. Het rijk stopt een vast percentage van de belastinginkomsten in een pot, die via een verdeelsleutel wordt verdeeld over de ongeveer 400 gemeenten in ons land. Eens in de zoveel jaar wordt die verdeelsleutel aangepast aan de nieuwste inzichten en politieke modes. Zo’n aanpassing kent vanzelfsprekend winnaars en verliezers: sommige gemeenten gaan er op vooruit, andere moeten inleveren. Het onderzoeksidee van Allers en Vermeulen is simpel. Hebben de gemeenten die er geld bij hebben gekregen, daar iets nuttigs mee gedaan? En voor de gemeenten die er op achteruit zijn gegaan: is dat ten koste gegaan van de service aan burgers?

Maar hoe kun je die vraag objectief beantwoorden? Het hangt er van af wat de burger wil – en dat verschilt van persoon tot persoon. Allers en Vermeulen hebben hier een mooie oplossing voor: ze kijken naar de huizenprijzen. Een gemeente met extra geld kan meer voor zijn burgers doen. Als die gemeente dat goed doet, wordt het dus aantrekkelijker om daar te wonen, wat leidt tot hogere huizenprijzen. Dat kun je meten. De huizenprijzen in de gemeenten die erop vooruit zijn gegaan, zijn inderdaad gestegen. En omgekeerd voor de verliezende gemeenten. En nog opmerkelijker, de stijging van de huizenprijzen komt goed overeen met het extra geld dat die gemeente te besteden kreeg. Dat extra geld is dus kosteneffectief gebruikt: de extra service wordt gelijk gewaardeerd aan de gemaakte kosten. Ik zal mijn ergernis over de onveiligheid van ons nieuwe kruispunt dus moeten matigen. Het is de uitzondering die de regel bevestigt.

Hoe komt het toch dat wij zo diep overtuigd zijn van de inefficiëntie van onze overheid? Ik denk dat het iets te maken heeft met de gedragseconomie en iets met de tijdgeest. De gedragseconomie leert ons dat wij lijden aan zelfoverschatting. We denken dat wij zelf alles beter kunnen. De tijdgeest voedt een diep wantrouwen tegen collectieven die namens ons beslissingen nemen waar wij slechts beperkt controle over hebben. We zijn veel te bang dat zij ons geld besteden meer ten bate van anderen dan van onszelf. Zo is heel Nederland ervan overtuigd dat wij zelf beter kunnen beleggen dan ons pensioenfonds, terwijl empirisch onderzoek echt het tegendeel laat zien.

Zoiets geldt ook voor de dienstverlening van de overheid. We denken dat we het zelf beter kunnen en wantrouwen de politici die de overheid bestieren. We stemmen liever op politici die ons in dat oordeel bevestigen. Nu valt het in Nederland volgens het onderzoek van Allers en Vermeulen gelukkig nog mee: kosten en baten van de gemeentelijke overheid zijn ongeveer in evenwicht. Dat is in Amerika anders; daar verkeert de publieke infrastructuur in deplorabele staat. Het wantrouwen tegen de overheid heeft daar geleid tot verwaarlozing. Maar wanhoopt niet: wat hier nog niet is, dat kan nog komen.