Eind Zalms omstreden heffing in zicht

Advocaat-generaal van Hoge Raad noemt box 3-stelsel strijdig met Europees Recht.

De huidige vermogensrendementsheffing werd ingevoerd door staatssecretaris Vermeend (PvdA) en minister Zalm (VVD), hier in 2000 in de Tweede Kamer.
De huidige vermogensrendementsheffing werd ingevoerd door staatssecretaris Vermeend (PvdA) en minister Zalm (VVD), hier in 2000 in de Tweede Kamer. Foto Martijn Beekman/ANP

Door onze redacteur

Wat een uitvinding was dat, vijftien jaar geleden. De bedenkers waren apetrots. Minister Zalm (Financiën, VVD) en staatssecretaris Willem Vermeend (PvdA) introduceerden een belasting op vermogen, of de belegger nu rendement maakte of niet. De Belastingdienst zou voortaan uitgaan van een fictieve opbrengst van 4 procent per jaar. Over dat percentage wordt vervolgens 30 procent belasting geheven, wat de facto neerkomt op een tarief van 1,2 procent op vermogen.

Dat was nog schappelijk ook, zei Zalm: „Elke sukkel haalt meer dan 4 procent rendement. Wie dat niet lukt kan bij mij staatsobligaties krijgen, met een procent of 6.”

En dat is precies waar het probleem ligt: de spaarrente bij banken ligt de laatste twintig jaar ver onder die 4 procent; inmiddels minder dan 1 procent. Meer dan het helft van het vermogen waarover het Rijk belasting heft bestaat uit spaargeld. Het gros van de mensen die relatief veel vermogensbelasting betalen, zijn voormalige ondernemers die leven van een zelf opgebouwd pensioenpotje. De eerste 24.437 euro spaargeld is overigens belastingvrij. De advocaat-generaal van de Hoge Raad legt er nu een bom onder. Hij noemt deze wijze van belasting heffen op vermogen in strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Slecht nieuws voor Wiebes

Dit (zwaarwegende) juridische advies aan de Hoge Raad heeft mogelijk grote gevolgen voor de huidige vermogensbelasting waarmee het Rijk jaarlijks ruim 4 miljard euro ophaalt. En niet alleen voor het huidige stelsel, maar ook – en dat is het slechtste nieuws voor staatssecretaris Eric Wiebes (Financiën, VVD) – voor zijn met veel moeite aangenomen plan om de vermogensrendementsheffing ingrijpend te veranderen.

Wat is er aan de hand? Een Nederlander die al twintig jaar in Noorwegen woont, maar in Nederland nog over een woonhuis en twee andere panden beschikt, maakte bezwaar tegen zijn belastingaanslag voor het jaar 2011, ter waarde van 13.520 euro. Een deel daarvan was gebaseerd op de waarde van zijn onroerend goed. Hij was van oordeel dat zijn vastgoed niet 4 procent in waarde was gestegen.

Achtereenvolgens de rechtbank en het gerechtshof gaven de Noorse Nederlander ongelijk. Nu ligt de zaak in cassatie voor bij de Hoge Raad. Als dit hoogste rechtscollege het advies van de advocaat-generaal dat dinsdag werd gepubliceerd overneemt, zou dat het einde kunnen betekenen van het ooit bejubelde stelsel van vermogensrendementsheffing.

Die heffing, onderdeel van ‘het boxenstelsel’ dat in 2001 is ingevoerd, was destijds (en is nog steeds) een fiscaal novum. Box 3, voor spaargeld en vermogen, was volgens toenmalig staatssecretaris Vermeend (PvdA) een substantieel onderdeel van „hét Belastingplan voor de 21ste eeuw”.

De advocaat-generaal noemt drie redenen waarom de Nederlandse vermogensrendementsheffing strijdig is met het Europees Mensenrechtenverdrag. Het fictieve rendement van 4 procent is „onhoudbaar”. De advocaat-generaal wierp een blik op de huidige rentestand. „Wie zijn geld louter op spaarrekeningen belegt, haalt dat rendement niet.” Box 3 leidt daarbij tot „een willekeurige en onvoorspelbare belastingdruk” en mogelijk zelfs tot „buitensporige belastingdruk”.

In een reactie zegt het ministerie van Financiën zich daar niet in te kunnen vinden. „De vermogensrendementsheffing in box 3 valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever toekomt.” Het ministerie klampt zich vast aan een eerder arrest van de Hoge Raad, vorig jaar april, waarbij het oordeel was dat het huidige forfaitaire stelsel van box 3 „in beginsel geen inbreuk vormt op het eigendomsrecht”.

Dat is een selectieve lezing, zegt fiscalist Arjo van Eijsden van belastingadvieskantoor EY. „In dat arrest zette de Hoge Raad juist de deur open voor een negatief oordeel over box 3.” Hij citeert: dit stelsel zou in strijd komen met Europees recht „als zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4 percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last”. Aan die vaststelling kwam de Hoge Raad vorig jaar niet toe, maar krijgt daar nu wel de gelegenheid voor. Net als de Haagse rechtbank die moet oordelen over zes zaken die de Bond voor Belastingbetalers heeft aangespannen.

Uiteindelijk, concludeert de advocaat-generaal, is het woord niet aan de rechtspraak maar aan de politiek. „De wetgever moet de gelegenheid krijgen om de bestaande regeling te vervangen door een die niet de geconstateerde gebreken heeft.”

Daar is staatssecretaris Wiebes het mee eens. Om die reden heeft hij zich ten doel gesteld om „op termijn te komen tot een heffing over het daadwerkelijk genoten rendement”. Het kabinet maakt, als tussenstap, met ingang van komend jaar enig onderscheid in de vermogensrendementsheffing tussen bescheiden spaartegoeden en hogere vermogens, dat ook uit aandelen en obligaties is samengesteld. Wiebes gaat er vanuit dat het rendement op aandelen hoger is dan dat op spaargeld. Ook dat is een aanname die niet door de advocaat-generaal wordt gedeeld.

Als de Hoge Raad het advies van de advocaat-generaal overneemt, hoeft Wiebes niet van iedere belastingplichtige een claim te verwachten op eerder, kennelijk onterecht betaalde vermogensbelasting. Dat zou alleen kunnen, legt fiscalist Van Eijsden uit, „als je direct bezwaar hebt gemaakt”.