De terreur komt nu uit Kenia zelf

Geweld? Dat kwam uit Somalië. Maar zonder toekomstperspectief dreigt radicalisering. ‘Wat is er gebeurd met onze kinderen?’

Twee jaar geleden sloot Ahmed (32) zich aan bij de islamitische terreurbeweging Al-Shabaab, in buurland Somalië. Zijn zus Halima heeft sindsdien niets meer van hem vernomen. „Gelukkig maar”, zegt ze in de Keniaanse havenstad Mombasa. „Al-Shabaab neemt alleen contact op als je familielid in de hemel is aangekomen.” 

 

Ahmed is een van de honderden jongeren uit Kenia die de afgelopen jaren zijn geradicaliseerd. De meesten komen hier uit Mombasa of uit de sloppenwijken van hoofdstad Nairobi. „Al-Shabaab ronselt hen om terreuraanslagen uit te voeren in Somalië en steeds vaker ook in Kenia zelf”, zegt sociaal werker Phyllis Muema. „Een explosieve situatie.” Muema is hoofd van Kecosce, een groep die in Mombasa probeert jongeren van hun radicale ideeën af te brengen.

Mombasa is uitgegroeid tot een broeinest van extremisme. Zo’n kwart van de Keniaanse bevolking is moslim. De meesten wonen in de kuststrook en in het noordoosten van het land, in de regio die grenst aan Somalië. Toen de eerste grote terreuraanslag in Kenia plaatsvond – in 1998 door Al-Qaeda op de Amerikaanse ambassade in Nairobi met 224 doden – waren de daders louter buitenlanders. Nu ziet Kenia zich echter geconfronteerd met moslimextremisme van eigen bodem. President Kenyatta bestempelde terreur deze week zelfs als „bedreiging voor het voortbestaan van het land”.

Afrika kampt met een bevolkingsexplosie en ook in Kenia bestaat driekwart van de bevolking uit jongeren. Het gevolg: werkloosheid, migratie, criminalisering en radicalisering. „De groei van misdaad en de rekrutering van terroristen lopen parallel. Er is een dunne scheidslijn tussen criminalisering en radicalisering”, zegt Sureya Roble Hersi van het netwerk Sisters without Borders.

„Zonder hoop op een toekomst ben je vatbaar voor extremisme. Dat geldt voor miljoenen in talrijke Keniaanse sloppenwijken. In Mombasa biedt de militante islam hun een uitweg. Vroeger rekruteerde Al-Shabaab exclusief onder kwetsbare armen, tegenwoordig steeds meer onder opgeleide jongeren uit de middenklasse.”

De naar Somalië vertrokken Ahmed had zijn middelbare school afgemaakt en een goede baan bij een autobedrijf. „Zijn karakter veranderde toen hij steeds vaker de moskee van de radicale prediker Aboud Rogo bezocht. Hij kwam bijna nooit meer thuis”, vertelt zijn zus Halima. Ahmed ging broeken dragen met korte pijpen, liet een baard groeien. Hij foeterde op Amerika en sloot zich af. In zijn afscheidsbrief schreef hij te gaan vechten voor God in Somalië.

„Al-Shabaab gaf hem vóór zijn vertrek een echtgenote. Ahmed maakte haar zwanger en vertelde ons in de brief dat het kind Abubakar of Fatima moest heten.”

Gehersenspoeld

In de eeuwenoude Arabische wijk van Mombasa galmt de oproep tot het gebed. Farida Husseini van de Vereniging voor Moslimvrouwen doet in een smoezelige ruimte haar pedicure. Ze vertelt klanten in de schoonheidssalon: „We wilden schoolkinderen wijzen op de gevaren van moslimextremisme. Ze joelden: ‘Donder op, jullie zijn gehersenspoeld door de Amerikanen.’ Ze weigerden onze lekkernijen, die waren vergiftigd door de Amerikanen. Ik schrok van die radicale taal. Wat is er gebeurd met onze kinderen?”

Moslimextremisme was lang onbekend in Kenia. De als decadent ervaren gewoontes van blanke strandtoeristen leidden tot afkeurend gefrons, maar de kustbewoners stelden zich altijd tolerant en gastvrij op. Met de komst van het terrorisme ontkiemde in Mombasa de onvrede over de achterstelling van de kustbewoners en van moslims.

Pas op, bevat schokkende beelden:

„Na de aanslag op de Amerikaanse ambassade begon een Amerikaanse oorlog op Keniaans grondgebied”, legt sociaal werker Phyllis Muema uit. Amerikaanse veiligheidsagenten nestelden zich na 1998 in Mombasa en leidden de strijd tegen terrorisme. „De moslims werden collectief verantwoordelijk gesteld. Een Keniaanse politieagent weet met criminelen om te gaan, maar niet hoe hij terrorisme moet bestrijden. Agenten behandelden elke moslimjongere als potentiële vijand. Dat werkte als een boemerang.”

Boze jongeren vonden gehoor bij radicale moslimpredikers, van wie de in 2013 doodgeschoten geestelijke Aboud Rogo de peetvader was. „Radicale groepen namen onze moskeeën over”, klaagt imam sjeik Aunla van de Nationale Raad van Imams en Predikers. In zijn preken hekelde Rogo de gematigde moslimleiders. „Lafaards, ik heb meer respect voor gewapende overvallers”, hield hij zijn gehoor voor. „De vijand is onder ons, sla ook toe in je eigen land.” In 2002 was Rogo vermoedelijk betrokken bij de bomaanslag (13 doden) op een Israëlisch hotel bij Mombasa.

Keniaanse veiligheidsagenten gingen radicale predikers standrechtelijk executeren, Amerikaanse collega’s ontvoerden verdachten naar het buitenland. Aanhangers van de predikers legden blokkades aan om de politie de toegang te ontzeggen tot hun arme buurten. Vorig jaar sloot de regering radicale moskeeën. „Het ronselen voor Al-Shabaab gebeurt nu ondergronds. En op Facebook”, zegt sjeik Aunla.

Aboud Rogo werd op klaarlichte dag geliquideerd voor een politiebureau in de wijk Kisauni. Jongeren hangen nu rond op ‘de basis’ in Kisauni. De basis, of maskani in het jargon van de sloppen, is het verzamelpunt in een arme wijk, om een potje te kaarten, bhangi (marihuana) te roken, te praten of om de ideologie van het extremisme te verkondigen. Het dronken gebabbel uit de naburige bar en de rapmuziek van de cd-verkoper vechten om dominantie. De stank van benzine van de garage kan niet op tegen geur van bhangi. „Hier raken jongeren geradicaliseerd”, zegt de sociaal werker Phyllis Muema.

Stinkende rijken

„We zitten hier opgesloten”, zegt een jongen, terwijl hij de rook van zijn bhangi laat ontsnappen. „Mijn basis is het centrum van mijn wereld. En daarbuiten? Daar zie ik buurten van stinkende rijken. Op televisie zie ik corrupte politici. Het is mijn buurt tegen de jouwe. Jij bent rijk omdat ik arm ben.”

Over rekrutering door Al-Shabaab om in Somalië te vechten, wil de jongen niet praten. Als het lang stil blijft, zegt een vriend: „We hebben geleerd dat we niet in Somalië hoeven te vechten. Er zijn genoeg redenen om hier in Kenia strijd te voeren.”

Volgens Muema schuilt hier het nieuwe grote gevaar: „De grootste bedreiging van het terrorisme ligt nog voor ons. Die komt van de groeiende groep Keniaanse Al-Shabaab-strijders. Zij voeren steeds vaker aanslagen uit in Kenia. Buiten de moslimgebieden bekeren jongeren van alle stammen en rangen zich tot de islam en voegen zich bij de terroristen. Ook bendeleden worden zo terroristen. En steeds meer vrouwen.”

Fatima (34) kan niemand meer in de ogen kijken. Ze verbergt haar gezicht in haar handen. Haar man ging bij Al-Shabaab vechten en liet haar met zeven kinderen achter. Dezelfde mannen die hem hadden geronseld rekruteerden enkele maanden later ook haar.

„Ze beloofden me een baan. Maar toen ik bij Al-Shabaab in Somalië kwam, sloten ze me op. Iedere dag verkrachten ze me. Vier mannen per dag. Maandenlang.”

Ze struikelt over haar woorden. Ze knippert met haar ogen. „De ronselaars waren Kenianen, de verkrachters Somaliërs.” Een Keniaan hielp haar ontsnappen. Een maand zwierf ze door de bush, tot ze met een boot mee kon. Vorige maand keerde ze terug naar Mombasa. Ze is hiv-positief.