De school, daar wordt een kind nu opgevoed

Hij zat 43 jaar in het onderwijs, in allerlei functies. Hoe kijkt rector Jan Coster terug op zijn loopbaan, de school en de kinderen? „Ze zijn echt niet slimmer geworden. De normen zijn aangepast.”

Foto Merlijn Doomernik

Een tweedeklasser schold laatst in de gang: „Homo!” Rector Jan Coster hoorde het toevallig. Hij zag dat een vijfdeklasser de jongen meteen aansprak. „Dat doen we hier niet”, zei de jongen. Op zo’n moment is Coster trots op de sfeer in zijn school, het Zaanlands Lyceum. Open, tolerant, veilig.

Als tieners érgens worden opgevoed tegenwoordig, dan is het wel op de middelbare school, zegt Coster. Die taak heeft de school de afgelopen decennia gekregen van de overheid. En van de ouders. Dat ging eigenlijk vanzelf. Coster: „Moderne ouders zijn vrienden van hun kinderen. Ze hebben weinig kinderen en willen het gezellig houden thuis. Geen strijd, geen ruzie. Maar tieners zoeken altijd grenzen en autoriteit. En die geven wij ze hier.”

De samenleving verandert snel, maar er is één plek waar iedereen dezelfde normen en waarden leert. Dat is de school. „Wij zijn een openbare school en hebben hier allerlei bevolkingsgroepen. Twintig procent is allochtoon, sommige kinderen komen uit Zaanse arbeidersmilieus, anderen uit de witte middenklasse. Meisjes met hoofddoekjes lopen hier naast meisjes met een navelpiercing.” Eén zo’n waarde, vertelt Coster, is dat homoseksualiteit normaal wordt gevonden. „Het is geen geheim, iedereen weet hier: ook de rector is homo.”

Vijftien jaar is hij rector geweest van de 1.250 leerlingen op dit oude lyceum. Het werd 150 jaar geleden opgericht door de Zaanse elite, zoals de familie Verkade (van de koekfabriek). Coster werkt er sinds 1995 en neemt nu afscheid. Een vrolijke man, die eindeloos kan vertellen over het onderwijs waar hij 43 jaar in werkte als ongeveer álles: leraar, roostermaker, mentor, rector.

Begrijp hem niet verkeerd: „Topdown zeggen ‘het is zo omdat ík het zeg’, werkt niet meer. Ze gaan meteen in discussie. Ze accepteren het gezag van een volwassene niet zomaar. Je moet alles uitleggen.” Maar je moet ze ook duidelijke grenzen geven, en die bewaken. Juist in deze tijd waarin ouders de beste vriend van hun kinderen willen zijn.

Neem de brugklasser die steeds slechtere cijfers haalde. Toen de leraar haar moeder erover sprak, zei ze: „Ze zit altijd aan haar huiswerk maar er komen wel 300 appjes per avond binnen op haar telefoon. Ze kan zich niet concentreren.” De leraar zei dat moeder de telefoon dan maar moest afpakken, waarop zij reageerde: „Dat kan niet, daar komt ruzie van!” Uiteindelijk is het meisje wel overgegaan, met de hakken over de sloot.

Het gevolg van meegaande ouders is volgens Coster dat kinderen minder weerbare volwassenen worden dan vroeger. Ze zijn geen tegenslag gewend. Ze leren niet dat je soms gewoon moet buffelen om iets te bereiken. „Als ze in de echte maatschappij terechtkomen, blijkt die vrij hard te zijn. Niemand zit op ze te wachten of wil ze helpen.

„Het verbaast me niets dat veel twintigers overspannen raken. Ik zie het ook onder mijn jonge leraren: sommigen krijgen een burn-out. Dat gebeurde vroeger niet, of pas op je vijftigste. Ze komen wel terug, maar in een kleiner baantje van drie dagen. Partner werkt, er komen kinderen. Dat ís ook allemaal niet te doen.”

De overheid maakt het volgens Coster op dit vlak wel bont. „Die verwacht dat we stabiele kinderen, met burgerschapszin, kennis én een flexibele geest afleveren. Als dat al kan, kost dat veel tijd en dus geld. En dat geld is er vaak niet.”

Toch is er veel verbeterd. Elke klas heeft tegenwoordig een mentor, die toeziet op het welzijn van de kinderen. „Als je vroeger, toen ík op school zat, slechte cijfers haalde omdat er thuis iets was, zei de school gewoon ‘pech, dat is jouw zaak’.

„Nu praat de mentor met kinderen als het niet goed gaat of als er thuis spanningen zijn. En er zijn heel veel gezinnen die onder druk staan. Echtscheidingen, werkloosheid, financiële problemen.”

De ‘ik-heb-rechtencultuur’

Coster heeft het in veertig jaar zien ontstaan: de ik-heb-rechtencultuur. „Veel ouders voeden hun kinderen nu zo op: jij hebt rechten en je zult ze halen. Anders halen wij ze voor je. Ze trekken en sleuren aan hun kinderen – laten ze testen, betalen bijles en huiswerkbegeleiding – om ze maar die positie te laten veroveren, later, waar ze recht op denken te hebben.”

En dan zijn er de ouders, de scholen en het ministerie die zo trots zijn dat steeds meer kinderen een hoog diploma halen. „Wat een fictie. Je hebt een steeds hoger diploma nodig voor simpele baantjes. Het is inflatie. Vroeger ging 11 procent van de kinderen naar hbs/gymnasium, nu bijna 50 procent naar havo/vwo! Ze zijn echt niet gemiddeld slimmer geworden hoor. De normen zijn aangepast.” Zelf deed Coster hbs B in Den Helder.

Tegelijk heeft hij zich erg ingezet voor de slimmere leerling. Het is de opdracht van elke school, vindt Coster, om hen te stimuleren. Wat zijn of haar afkomst ook is. Arbeiderskinderen? Allochtonen? „Láát ze stapelen: mavo, havo, vwo. Dat is hun ticket naar succes. Dat is een aantal jaren verboden geweest. Omdat het te duur was. Vreselijk. Gelukkig mag het nu weer een beetje.” De écht snelle leerlingen mogen hier een jaar eerder hun eindexamen doen, 10 procent doet dat.

Als er iets is waar Coster kritisch over is dan is dat „het zwalkende beleid van de overheid”. Met veel bombarie nieuw beleid invoeren en dat enkele jaren later weer aanpassen of afschaffen. „De invoering van de Tweede Fase is daar een goed voorbeeld van. En onlangs de oproep tot maatwerkdiploma’s door staatssecretaris Dekker, wat weer niet wordt doorgezet na het advies van de Onderwijsraad.”

Wat ook niet is veranderd: het is moeilijk van slechte leraren af te komen. „De rechten van de leerkracht zijn overdreven beschermd. Als je begint als goede leraar, maar het twintig jaar later precies hetzelfde doet, dan ben je een slechte leraar geworden.

„Je moet mee met de tijd, anders accepteren kinderen je niet. Als je zit te mopperen op ‘de kinderen van tegenwoordig’, dan moet je ermee stoppen. Dan word je toch ongelukkig? Maar als je meegaat met de kinderen, de groep kunt managen en geïnspireerd blijft, mag je hier eindeloos blijven. Wij hebben een leraar van 67 jaar die nóg heel sprankelend beeldende vorming geeft.”