De natuur is behang geworden

Ga naar buiten met een filosoof en de natuur ziet er ineens heel anders uit. We moeten weer leren landschaplezend te lopen, vindt wandelwijsgeer Eric Brinckmann.

De wijsgeer bukt zich en wijst op een zwerfkei, ingemetseld in het plaveisel. „Kijk”, zegt hij, „deze steen is meer dan tweeduizend jaar oud. In de laatste ijstijd is hij afgesleten, als gezandstraald. Het is nu een drievlakkige kei. Stel je voor hoeveel zandkorrels erlangs gewaaid moeten zijn, duizenden jaren lang, om deze gladde vormen te slijpen.”

Met Eric Brinckmann sta ik bij de Koppelpoort in Amersfoort, in het hart van Nederland. Onlangs publiceerde hij het boek Filosofische wandelingen. Denken over binnen en buiten door de eeuwen heen. In tien wandelingen verspreid over Nederland, vanaf het hoge noorden in Groningen tot in het diepe Limburgse zuiden, geeft Brinckmann (55) een beeld van onze verhouding tot de natuur, tot het buiten. Het boek is voorzien van gedetailleerde routebeschrijvingen.

Voordat we maar een enkele stap gezet hebben, vallen de namen van kerkvader Augustinus en filosoof Kant. „We kunnen naar deze steen kijken zoals Augustinus dat deed, in het volle religieuze besef van tijdelijkheid, van menselijke nietigheid”, betoogt Brinckmann, „Augustinus is de grondlegger van onze lineaire tijdsbeleving. Maar we kunnen er ook op Kantiaanse wijze naar kijken: dat het ons de rijkdom verschaft over onze verhouding tot die eeuwenoude steen na te denken. Dit denken tilt ons uit boven het besef van vergankelijkheid en nietigheid van de mens.”

Met Augustinus bevinden we ons ver weg in de vierde eeuw na Christus. En met Immanuel Kant in de achttiende eeuw, diep in het Duitse natuurdenken. Brinckmann vervolgt, terwijl we vanaf de Koppelpoort langs de stadswal naar ‘het buiten’ van de stad lopen: „Veel Nederlanders zijn het onderscheid kwijtgeraakt tussen ‘binnen’ en ‘buiten’. Zelfs een overdekt terras en een keurig aangeharkt grasveld met ligstoelen en een tuinhaard ervaart men al als buiten. De natuur is eerder behang. Maar dat buiten is niet de echte natuur, het echte buiten. Ik ben weleens verdwaald in een totale wildernis, dan ervaar je van dat buiten het harde en rauwe, het levensbedreigende.”

Wandelen, zegt Brinckmann, is ‘verzet tegen snelheid’. Je beweegt mee met het ritme van de aarde en de seizoenen. „Ik noem dat ergens ‘landschapslezen met je voeten’. Wandelen is bewegend nadenken, het landschap bespiegelen. Je bespeurt hoogte en steilte, weerstand van zand, zuigende modder of juist de hardheid van een stenen voetpad. Wat de mens door de eeuwen heen deed, is het bewoonbaar en vooral meetbaar maken van de onmetelijkheid van de aarde. Wandelen zoals wij dat doen is een betrekkelijke late uitvinding, ergens sinds de tijd van de Engelse Lake Poets als William Wordsworth en de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau. Voor de achttiende eeuw was wandelen zomaar, zonder doel, not done. Men liep om van de ene plek naar de andere te komen. Rijke mensen veroorloofden zich de koets en bewezen daarmee hun status.”

Naast ons strekt zich de robuuste, bakstenen stadsmuur van Amersfoort uit. Het februarilicht kleurt de stenen rood. De muur lijkt onneembaar, voor de stervelingen aan de buitenkant die we nu zijn. „In vroeger eeuwen scheidde die muur binnen en buiten rigoureus. Wie ’s avonds niet op tijd binnen was, werd buitengesloten. Met alle gevaren van dien. Voor de middeleeuwse mens bepaalde de horizon de grens van de zichtbare wereld. Met de bouw van kerken maakte de horizontale dimensie plek voor de verticale lijnen. Kerktorens wijzen naar de hemel, naar God. En met de bouw van de kerken trok de gelovige mens zich binnen terug. Het heilige werd uit de natuur gehaald en in een stenen binnenruimte geplaatst. Een van mijn wandelingen voert in Wolfheze langs de Wodanseiken, een plek buiten die in de Germaanse tijd een religieuze functie had.”

We komen buiten de stad terecht in het landgoed Randenbroek, aangelegd door de negentiende-eeuwse landschapsarchitect Hendrik van Lunteren. Brinckmann vertelt over de boeren van vroeger, die leefden op de ritmiek van de seizoenen. „De tijdsbeleving was cyclisch. Nu leven we in een lineaire tijd. Architect Van Lunteren grijpt met zijn romantische tuinaanleg terug op die cyclische tijdsbeleving, waarin emoties plaats krijgen. Kijk hoe de lanen slingeren en cirkels beschrijven rondom de heuvelachtige entourage. Ze gaan niet dwars over de heuvels, ze volgen de rondingen van de flanken. Er zijn iedere keer onverwachte uitzichten. Die romantische stijl deed opgeld in de achttiende eeuw, als reactie op de formele, strakke tuinen van de Franse zeventiende eeuw. Denk maar aan de geometrische tuinen van Versailles die gelden als een overwinning op de wilde natuur.”

We komen voorbij een eilandje dat in de waterpartij is gelegen. Het verderop gelegen, witte bouwwerk van Huis Randenbroek, de vroegere buitensociëteit, spiegelt zich in het water. Volgens Brinckmann roept zo’n onbewoond eilandje associaties op met ‘een tocht over het water van de rivier de Styx naar het dodenrijk’. Hij vervolgt: „Dat paste goed bij de romantische aanleg van het ontwerp, soms met heuse graftombes erop. Het is de bedoeling dat wandelaars niet achteloos voorbijgaan aan dit eiland, maar erbij stilstaan: wat betekent zo’n eiland, welke gedachten kan ik eraan ontlenen? Architect Van Lunteren deed iets wat revolutionair was voor zijn tijd: hij paste zich aan aan de genius of place, het wezen van de plek. Hij onderwierp het landschap niet aan zijn wil of aan de wensen van zijn opdrachtgevers, hij liet in zijn ontwerp de ziel van het landschap spreken. In de landschapsfilosofie maken we het onderscheid tussen drie soorten landschap: ongerept betekent wildernis. Cultuurlandschap is bewerkte natuur, en ontworpen natuur (stadsparken en tuinen). Nu bevinden we ons in ontworpen natuur. Gaan we nog verder naar buiten, dan treden we buiten de ontworpen natuur en gaan de ongereptheid van de Utrechtse Heuvelrug binnen.”

Brinckmanns wandelingen volgen de geschiedenis vanaf de Middeleeuwen tot nu. Hij is behalve als filosoof ook beleidsmatig werkzaam in het landschap. Vooral waterhuishouding heeft zijn belangstelling. „Wat me steeds meer opvalt is dat de hedendaagse digitale techniek tussen ons en het landschap in komt te staan. Tijdens de Industriële Revolutie drongen technische vernieuwingen als spoorwegen, landbouwmechanisatie en fabrieken de natuur op de achtergrond. Nu begeven we ons steeds vaker vanaf onze behaaglijke bank thuis met beeldschermen in het landschap. ‘Beeldschermlandschap’ noem ik dat. Met Google Earth en National Geographic Channel wanen we ons in de spectaculairste landschappen. Maar hierdoor raken we wel vervreemd van het echte landschap, van de geuren, de nattigheid, de hitte, de fysieke eisen die een landschap stelt om te overleven.

„Die beeldschermbeleving zet zich helaas ook voort in het natuurbeleid. Nauwelijks iemand die beslist over de natuur begeeft zich daadwerkelijk in het veld. Ambtenaren simuleren met hun computers de natuurlijke omstandigheden, veranderen en beïnvloeden die op virtuele wijze en trekken in de comfortzone van hun kantoorgebouw daaruit hun conclusies. Ze moeten zich houden aan Overlevingsplan Bos en Natuur (OBN), Inrichtingsbudget Landelijk Gebied (ILG) en nog een tiental andere, vaak bizarre maatregelen en beheerseisen. Natuurlijk landschap wordt als een moderne organisatie geleid, met rendementsdoelstellingen in de vorm van planten en dieren. Maar de band met het echte, onvoorspelbare landschap en de bewoners daarin zijn ze verloren. Deze vorm van management gaat voorbij aan de vaak ongeschreven geschiedenis van het landschap. Die verdwijnt onder een soort digitale deken. Ik bepleit een diepere en open verbintenis met de natuur: we moeten weer leren landschaplezend te lopen, buiten.”