Artsen weten hoe erg het is

Artsen adviseren patiënten behandelingen die het leven verlengen, die ze zélf nooit zouden kiezen, zo blijkt uit onderzoek.

De gemiddelde Nederlander kiest eerder voor reanimatie dan zorg-personeel zou doen.
De gemiddelde Nederlander kiest eerder voor reanimatie dan zorg-personeel zou doen. Foto Danny van den Berg/ANP

Edward Bonnet Meester (51), verpleegkundige, ziet ze regelmatig in het ziekenhuis. Patiënten die blijven vechten voor hun leven, ook al kan dat eigenlijk niet meer gered worden. Toch nog een chemokuur om de kanker te bestrijden. Toch nog een behandeling proberen. Weer een strohalm aangrijpen. Bonnet, oncologisch verpleegkundige, helpt de patiënten zo goed mogelijk. Maar hij denkt ook: zo ver zou ik nooit gaan.

Bonnet: „De lijdensweg wordt dan zó lang. Dat heb ik vaak gezien en ik wil dat niet. Door dit werk heb ik geleerd mijn grens te bepalen. Dat is voor mensen buiten het ziekenhuis veel moeilijker.”

Uit onderzoek van artsenfederatie KNMG en de beroepsvereniging voor verpleegkundigen V&VN blijkt dat artsen en verpleegkundigen die zelf ziek worden eerder afzien van levensverlengende ingrepen dan ze hun patiënten adviseren. Zorgpersoneel wil minder vaak worden gereanimeerd, gedialyseerd of beademd dan de gemiddelde Nederlander. Bovendien adviseren artsen en verpleegkundigen hun patiënten vaak levensverlengende behandeling waarvoor ze zelf als patiënt nooit zouden hebben gekozen. Hoe kan dat?

Het onderzoek geeft twee verklaringen. De eerste: artsen en verpleegkundigen weten wat de negatieve gevolgen van levensverlengende ingrepen kunnen zijn – dat een oudere zelden 100 procent fit uit reanimatie komt, bijvoorbeeld. Ze hebben door die ervaring dieper nagedacht over wat voor hen kwaliteit van leven inhoudt.

De tweede verklaring is dat artsen tijdens hun werk in een behandelmodus zitten: in hun functie als dokter is ingrijpen een automatische keuze. KNMG-onderzoeker en ethicus Gert van Dijk zegt dat dokters daarmee worstelen. Enerzijds is het binnen de ziekenhuiscultuur vaak normaal om een behandeling aan te bieden. Aan de andere kant weten ze dat níét behandelen soms beter kan zijn, omdat het de kwaliteit van leven niet zou bevorderen.

„Gesprekken daarover voeren we in Nederland al vrij goed, maar het blijft moeilijk in de hectiek van het ziekenhuis níét te kiezen voor een ingreep. Tijd voor bezinning is er weinig. Een oncoloog vertelde me laatst dat afraden van behandelingen het meeste tijd kost. Behandelen houdt de coalitie van hoop in stand tussen patiënt en arts.”

Onmogelijke dilemma’s

Jan Vesseur was twaalf jaar huisarts in Rotterdam en werkte lange tijd bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Nu is hij met pensioen, en patiënt. Vesseur lijdt aan multipel myeloom, een dodelijke aandoening van de plasmacellen. Beslissingen over levensverlengende behandeling dienen beter te worden besproken met patiënten, vindt hij. „De patiënt is uitermate slecht geïnformeerd. Een leek heeft te weinig informatie om goed te beslissen en verwacht daardoor vaak te veel van de mogelijkheden tot behandeling.”

Dat Vesseur arts is geweest, helpt hem bij de keuzes in zijn eigen ziekteproces. „Ik heb mensen dood zien gaan. Daar zie ik niet tegenop, want ik weet dat de nare verschijnselen die ermee gepaard gaan, onderdrukt kunnen worden. Maar of ik anders denk over ingrepen in mijn laatste levensfase... dat weet ik eigenlijk niet. Voor mezelf kan ik wel beslissen om, bijvoorbeeld, niet meer gereanimeerd te worden, maar dat is ook egoïstisch tegenover mijn familie. Als je er goed over nadenkt, zijn het onmogelijke dilemma’s.”

Betere informatieverstrekking aan patiënten biedt hun een meer realistische kijk op behandelmogelijkheden, denkt ook oncologisch verpleegkundige Edward Bonnet Meester. Nu wil 55 procent van de Nederlanders gereanimeerd worden, ook al zijn ze in de laatste levensfase. Met betere informatie wordt dat minder, verwacht hij. Van de artsen die ernaar werd gevraagd, zou slechts 10 procent gereanimeerd willen worden.

Bonnet: „We moeten zorgen dat patiënten nadenken over hun levenseinde. De patiënt moet zich afvragen: als de situatie slecht is, wil ik dan nog gered worden?”