En als alles dan geregeld is in de asielopvang, komen de nachtmerries

Het leven wordt normaal op opvangcentrum Crailo. Maar daarmee beginnen ook juist de zorgen.

Murhaf voor het gebouw van de asielopvang in Crailo: „Een maand wachten, drie maanden, zeven. Ze konden het niet zeggen.” Foto onder:

De kamer van de Syriër Murhaf (33), hier in de opvang in Crailo, is zoveel huiselijker dan een paar maanden geleden. Twee kledingkasten staan er nu, een koelkast, twee stoelen, twee kleurige vloerkleden. Een comfortabele, rode zitbank die hij ’s nachts uitklapt tot slaapbank voor zijn vrouw en hemzelf. In de hoek bij het raam een bed voor zijn zoon van negen, met een dekbed in vrolijk groen.

Niet alleen de kamer, ook het dagelijks leven hier is genormaliseerd. De bewoners van Crailo koken zelf, catering is passé. De kinderen gaan naar school, ook Murhafs zoon – die begint Nederlands te verstaan. Murhaf zelf trekt er, op de fiets, bijna dagelijks op uit. Naar Laren, Bussum of Hilversum. Of samen met zijn vrouw, eten kopen bij de Marokkaan. „Dat is goedkoper dan in de supermarkt.” Op Crailo warmen ze de meegenomen hap op in een van de magnetrons.

De normalisering heeft een vervelend neveneffect. Vrijwilligerscoördinator Christina de Groot van opvangbeheerder Leger des Heils zegt het zo: „Nu bed, bad en brood zijn geregeld hier op de Crailo, is er meer tijd voor kopzorgen.”

Murhaf heeft nachtmerries, zeker één keer per week. Hij wil ze niet beschrijven. Hij komt uit Deir ez-Zor, een stad met ruim 200.000 inwoners in het oosten van Syrië. Deir ez-Zor is hels. Regeringstroepen vechten er met IS. De terreurgroep heeft volgens het Syrisch Observatorium voor de Mensenrechten onlangs 55 burgers onthoofd of doodgeschoten. De Russen bombarderen de stad. De strijd maakt de aanvoer van voedsel, drinkwater en medicijnen onmogelijk, zegt het Rode Kruis. Hongersnood dreigt.

Vluchten is een waagstuk

In die stad wonen Murhafs vader en zijn zusje van 21. Ze wonen in door IS bezet gebied. Daardoor hebben ze eten. Het is alleen schreeuwend duur.

Zijn zusje wil vluchten, maar niet zonder haar vader. Hij houdt van zijn stad en hoopt op vrede. Murhaf probeert op hem in te praten. Maar communiceren is nagenoeg ondoenlijk. Bellen lukt niet, er is nauwelijks een mobiel signaal. Whatsappen kan, maar het bereik in Deir ez-Zor is vaak zwak, en altijd grillig. Het duurt soms een week voor hij antwoord krijgt.

Vluchten is een waagstuk. Dat was het al toen Murhaf en zijn gezin Syrië afgelopen zomer verlieten, en inmiddels is het nog gevaarlijker. Uitwijken via Irak gaat niet, in het grensgebied woedt de oorlog. Zijn vader en zusje zouden via Aleppo moeten gaan, en dan Turkije in. Een vriend van Murhaf vond bij zo’n vluchtpoging onlangs de dood, las hij op Facebook.

Murhafs moeder leeft niet meer, ze stierf twee jaar geleden – mede door een gebrek aan dokters, zo zegt hij. Zijn twee broers zijn Syrië eerder ontvlucht. De één, een dierenarts, is in Polen terechtgekomen. De ander, een apotheker, in Duitsland. Murhaf had een „beter gevoel” bij Nederland, en belandde hier vorig jaar zomer.

Hij is ict’er. Maar werken mag hij zonder verblijfsvergunning niet, zoals bekend. Dat is zijn volgende zorg. Wanneer krijgt hij die vergunning? In november hoorde hij dat de asielprocedure in maart zou beginnen. Maar vorige maand, toen de immigratie- en naturalisatiedienst IND langskwam om vragen van bewoners te beantwoorden, raakte zelfs maart uit beeld. „Ze wisten het niet”, zegt Murhaf. „Eén maand wachten, drie maanden, zeven. Ze konden het niet zeggen. Heb geduld, dat was hun boodschap.”

De nacht na het IND-bezoek sliep Murhaf niet slechter dan anders. „De dingen worden beter”, zegt hij, „in de toekomst.”