Water is de hijskraan, de steiger en de specie van het bestaan

Langer dan een halve minuut rechtop staan gaat niet. Daarna komen de misselijkheid en de braakneigingen onherroepelijk opzetten, en moet hij meteen weer gaan liggen. De Britse journalist en natuurkundige Alok Jha beschrijft zijn zeeziekte minutieus en invoelbaar in Het Waterboek. Hij is mee op expeditie naar Antarctica, vanuit Nieuw-Zeeland, en als lezer rol, glijd en kantel je in gedachten mee met de lading in het Russische, wild schommelende schip.

De expeditie vormt het decor voor een mooi, breed uitwaaierend verhaal over een buitengewoon eigenaardig molecuul: water. Het is zo alledaags en alomtegenwoordig, maar tegelijkertijd zo raar en slecht begrepen. Het heeft aspecten „die vredig zijn, bekoorlijk, levendig, diepgaand, spiritueel en zelfs afschrikwekkend”.

Water weigert zich aan de normale regels voor vloeistoffen te houden, schrijft Jha. Want welke vloeistof doet dat nou, in volume uitzetten als het overgaat in vaste vorm. Harde boter bijvoorbeeld niet, dat is compacter dan vloeibare boter en zakt erin weg. En ook een steen zinkt in lava. Maar een ijsblokje blijft drijven op vloeibaar water.

Over het waarom hiervan wijdt Jha al meteen in het eerste hoofdstuk uit. Dan duikt hij een pagina of tien de chemie en de fysica van het watermolecuul in. Het gaat over de typische piramidevorm (een licht positieve en een licht negatieve kant), over de vluchtige bindingen met andere moleculen via waterstofbruggen, en het gedrag van de watermoleculen bij kristallisatie. Voor de leek zal dat even doorbijten zijn. Maar ja, een boek over de uitzonderlijke eigenschappen van water, kan moeilijk de uitleg over die eigenschappen uit de weg gaan.

Gaandeweg het boek lees je over het ontstaan van het heelal en onze planeet. Het gaat over de aardse waterkringloop, regen, sneeuw, oceaanstromen. En over het belang van water voor het leven op aarde. Het leven mag dan op koolstof zijn gebaseerd, zo schrijft Jha, maar water is de wieg waarin het kan bestaan. Het is de hijskraan, de steiger en de specie van het bestaan.

Verenigd door één onderwerp, water, is het boek een korte inleiding tot een palet aan disciplines: astronomie, klimaatwetenschap, biochemie. Welk ander boek heeft dat in zich?

Jha schrijft afwisselend informatief en beeldend. Dat laatste vooral als hij de expeditie beschrijft. Kilometers lange ijsbergen trekken dan dreigend langs het schip. En op Antarctica schraapt de harde, ijskoude wind als „stalen messen” over zijn huid.

Prikkelend is het soms ook. Aan het eind rijst de vraag op in welke hoedanigheid leven zich op andere planeten kan voordoen. En welk molecuul daar dan de brede rol van water zou kunnen vervullen? Vloeibaar ammoniak, zoals dat op Titan, de grootste maan van Saturnus, is aangetroffen. Of zwavelzuur, dat in het wolkendek boven Venus voorkomt.

Jha is natuurkundige, en dat merk je. Hij trekt graag een hoofdstuk uit om dieper in te gaan op de diverse kristalstructuren die er bekend zijn van water. Uit de natuur is alleen het zogeheten ijs-Ih bekend, maar in laboratoria zijn er inmiddels zestien andere fasen gecreëerd.

Zo gedetailleerd en zorgvuldig gaat hij niet overal te werk. In het hoofdstuk over het overtollige watergebruik door de mens – de voetafdruk – is Jha wat slordig met cijfers. Een douche van vijf minuten kost 200 liter water, en bij tanden poetsen verbruik je acht liter. Hoe poetst hij zijn tanden, vraag je je af?

Maar dat is ook het enige. Dus, water onder de brug.