Vieren

Morgen vieren we Valentijnsdag. Ik neem aan dat de meeste NRC-lezers dat een walgelijke exponent van de Amerikaanse consumptiecultuur vinden, een commodificatie van de liefde, en nog buitensluitend ook, want wat moet iemand die op Valentijnsdag ‘alleengaande’ is? Vragen of z’n moeder een kaart schrijft? Nee, alles is fout aan Valentijnsdag. „Ik ga toch niet een kaart schrijven omdat de firma Hallmark vindt dat ik dat moet doen?”

Aan de andere kant: is niet elke reden om iets leuks te doen voor degene van wie je houdt, een goede? Ook al is die opgedrongen? Op straat hangen affiches van een meisje dat een doos Merci-chocolaatjes krijgt, en daar heel blij bij kijkt. Mijn eerste reactie is: o, wat treurig dat er nu waarschijnlijk ergens een heel ongeïnspireerde jongen een doos Merci gaat kopen. En die dan echt geven. Misschien koopt hij die doos wel bij een tankstation, samen met een wanstaltig bloemetje in cellofaan.

De tweede gedachte is er een van afkeer van mezelf: wie ben ik om een oordeel te vellen over chocola, die misschien wel uit een heel goed hart komt! En wat maakt het uit dat het op een tankstation gekocht is! Er zijn hordes mensen die nooit eens iets leuks doen, en daar zit ik me toch ook niet aan te ergeren?

De afkeer van Valentijnsdag is eigenlijk raar, want de laatste tijd wordt er juist veel meer gevierd in het leven. Ook het leven zelf. „Wij víeren het leven!” Je kunt dat een bourgondische vijftiger met een wijnvoorraad zo horen zeggen. Succes moet gevierd worden. Maar je mag ook vieren dat het even helemaal niet meer ging, maar dat je daardoor juist heel erg de prioriteiten op een rijtje hebt. En als je het te druk hebt met alles vieren, kun je ook de teugels laten vieren en de dingen laten komen zoals ze komen. En dat dan toch weer vieren. Dat je dat inmiddels kúnt.