‘Toevallig’ schaatst ze nu weer hard

Ze wint goud op de 1.000 meter. „Dit is wel heel bijzonder.”

Foto SERGEI ILNITSKY/EPA

Ze kan er ook niks aan doen. Het klonk bijna verontschuldigend uit de mond van Jorien ter Mors, in de aanloop naar de WK afstanden. „Toevallig schaats ik zo hard. Ik heb ook geen boekje over hoe je dat doet.”

Haar collega’s op het ijs zouden een koninkrijk over hebben voor de cursus, als die bestond. Met haar eerste wereldtitel op haar eerste WK afstanden, vrijdagmiddag in Kolomna, toonde de 26-jarige Enschedese zich opnieuw een fenomeen in de schaatswereld. De race in de Kometa-hal was pas de derde internationale 1.000 meter die ze in haar carrière reed op een 400-meterbaan. En dat in een seizoen waarin Ter Mors zich nog elke training moet afvragen of de belasting niet te hoog is voor haar lichaam; ze stond immers bijna een jaar lang aan de kant met verschijnselen van overtraindheid.

„Als ik bedenk waar ik vandaan kom, dan is dit wel heel bijzonder”, zei Ter Mors na haar gouden race – even van haar stuk gebracht toen ze in haar relaas werd onderbroken door een koninklijk felicitatietelefoontje. „Anderhalf jaar geleden stond ik nog met mijn fietsje op straat, kwam ik niet meer vooruit. Dat maakt de hele weg dit seizoen extra bijzonder.”

Op de Olympische Spelen van Sotsji (2014), waar ze twee weken lang pendelde tussen het shorttrack en de langebaan, was „alles top geweest”, getuige haar gouden medailles op de 1.500 meter en de ploegachtervolging. „Als je dan een heel jaar niet mag schaatsen is het maar de vraag hoe je terugkomt. En als je dan meteen wereldkampioen mag worden is dat heel bijzonder. Daarom was ik ook even emotioneel, op het podium.”

Haar favoriete baantje

Onder collega’s wordt Ter Mors allang niet meer gezien als de shorttrackster die af en toe een uitstapje maakt naar de langebaan, een paar medailles pakt, een lange neus trekt, en lachend terugkeert naar haar favoriete baantje van 111 meter. Heather Richardson-Bergsma, op vrijdag op gepaste afstand van Ter Mors winnares van het zilver, vindt allerminst dat ze als langebaanschaatsster wordt vernederd door een shorttrackster. „Ze is absoluut een schaatsster”, zei de Amerikaanse vrouw van Jorrit Bergsma. „Jorien heeft olympisch goud op de 1.500 meter. Ze is ongelooflijk sterk.”

Ze is een schaatsster die bijna elke race geschiedenis schrijft. In haar eerste internationale 1.000 meter, in november in Calgary, bracht ze het nationale record van Ireen Wüst terug tot 1.12,66. Haar tweede 1.000 meter leverde vorige maand goud op bij de wereldbeker in Stavanger, voor het gevreesde Amerikaanse duo Richardson en Brittany Bowe. Haar vorm was toen al zo goed dat ze het Noorse havenstadje haastig weer verliet. Ze wist genoeg. En nu is ze wereldkampioen, de eerste Nederlandse op deze afstand sinds Ireen Wüst in 2007.

Burn-out

Ter Mors slechtte de afgelopen jaren barrières waarvan haar schaatsende collega’s niet eens wisten dat ze bestonden. In het shorttrack behoorde ze al tot de wereldtop, op de langebaan, tot een paar jaar geleden onontgonnen terrein voor haar, kan ze zich tegenwoordig bijna op alle afstanden meten met de wereldtop.

Noodgedwongen, door haar sportieve en emotionele burn-out na Sotsji, bouwde Ter Mors haar conditie dit seizoen heel behoudend op. Ze richtte zich vooral op de korte afstanden om niet meteen te veel te eisen van het herstellende lijf. Snelheidstrainingen mijdt ze nog steeds – dat is voorbehouden aan de wedstrijden. Een rechtstreeks gevolg is dat ze na haar terugkeer, dankzij een verbeterde start, ook op de sprintnummers tot de wereldtop behoort.

Vooral op mentaal gebied is ze onverwoestbaar gebleken. Dat dankt Ter Mors voor een deel aan een ijzeren karakter, maar ook aan haar opleiding als shorttrackster. Bont en blauw arriveerde ze een week geleden in Kolomna, dankzij alle smakken die ze de afgelopen maanden had gemaakt in het shorttrack. Elke wedstrijd was het raak. Maar geen geklaag. „Soms heb je dat”, zegt ze dan. „Voor shorttrackers is dat heel gebruikelijk. Al lig je te creperen in de kleedkamer, als je niks gebroken hebt sta je op en ga je naar de start voor je volgende race. Zo ben ik opgegroeid in de sport.”

Een paar jaar trainen onder bondscoach Jeroen Otter is voor alle rijders één lange cursus in weerbaarheid en nederigheid. Trainen, vallen, opstaan. Beter worden. Tegenslagen overwinnen, grenzen verleggen. Comfortabel worden met het oncomfortabele. Gevallen? Eigen schuld. Maar als je beter wilt worden, zul je risico’s moeten nemen. „If you’re in control you’re not going fast enough”, houdt Otter zijn rijders dan voor, naar een citaat van de vroegere Formule 1-coureur Mario Andretti.

Zo accepteerde Ter Mors tandenknarsend haar lot toen lijf en geest even niet meer wilden, na Sotsji, mede veroorzaakt door de dood van haar grootste fan, haar vader. Ook al ging ze maanden door een diep dal, ze aanvaardde het als een shorttrackster. Incasseren, accepteren, op naar de volgende race. Toevallig schaatst ze nu gewoon weer hard. Ze kan er ook niks aan doen.