Opinie

Ons proletariaat

Onze viceminister-president Lodewijk Asscher had er genoeg van. Via de sociale media was hij zo vaak uitgescholden, beledigd, verdacht gemaakt dat hij besloot, iets terug te doen. Zijn vijanden hadden varianten op zijn naam verzonnen, zoals ASS cher en aSScher, ze hadden zijn overgrootvader verdacht gemaakt omdat die als Jood in de oorlog met de Duitsers zou hebben geheuld, en zelf kroop hij liever in een moslimhol dan achter zijn eigen volk te staan. Nog meer van dat soort schunnigheden. Asscher was het beu. Op Facebook heeft hij deze haatmailers uitvoerig geantwoord; de raad gegeven zo’n boodschap eerst aan hun moeder of dochter te laten lezen.

Asschers verweer bleek nationaal nieuws te zijn. Na een paar uur had hij op Facebook al duizenden steunbetuigingen gekregen en de kranten hebben er melding van gemaakt. Maar het blijft de vraag of het zal helpen. Ik denk het niet. Om me nader van Asschers avontuur op de hoogte te stellen tikte ik op Google zijn naam in. Bovenaan het scherm verscheen meteen een mededeling: 671.000 resultaten in 0,27 seconde. Wat moeten we daarvan zeggen. Overweldigend? Sapperloot? Nee. Het is een van de talloze bewijzen dat we in de digitale beschaving leven.

Ongeveer een kwart eeuw geleden is het begonnen, met wat toen in Amerika de dotcomrevolutie werd genoemd. De laptop werd een gebruiksvoorwerp, internet groeide en groeide, de digitale communicatie had zich gevestigd en daarmee was een nieuw hoofdstuk in de wereldgeschiedenis begonnen. De wereldmachten gingen hun geheimen digitaal bewaren en dus kwam er ook digitale spionage, Julian Assange en Edward Snowden zijn wereldberoemd geworden.

Maar hoe is het verder gegaan met de gewone man? Voor het ontstaan van internet was hij een machteloze anonymus die zich de daden van iedereen die boven hem stond moest laten welgevallen. Of hij met een politieagent, een conducteur, een generaal of een president te doen had, het maakte geen verschil. En toen is dat allemaal radicaal veranderd. Als iemand nu iets doet wat je niet bevalt, je buurman, de dokter, de koning of de president, kun je hem dat meteen in de radicaalste bewoordingen laten weten. Uitschelden, vervloeken, belachelijk maken, met de dood bedreigen, het hindert niet zolang je je er zelf opgelucht bij voelt. En aan deze faciliteit blijkt een geweldige, nog altijd groeiende behoefte te bestaan.

Iedere dag kijk ik een paar keer in de internetkrant NU.nl. Een goed digitaal dagblad, snel en betrouwbaar. En je kunt ook op het nieuws reageren in de rubriek Nujij. Er staan redelijke, ter zake kundige bijdragen in maar ook een groot aantal scheldpartijen en soms lees je: verwijderd door de redactie. Bij de meest controversiële onderwerpen, de Haagse politiek, Rutte en Wilders en nu vooral de vluchtelingen, krijgen de lezers het verzoek zich in hun reacties kalm te houden. Dat lukt niet altijd.

In Das Kapital maakt Karl Marx een onderscheid tussen de bourgeoisie en het proletariaat, en in de onderste laag van de samenleving bevond zich het lompenproletariaat, bestaande uit dieven, zwervers, iedereen die buiten de maatschappelijke organisatie viel. Dieven, oplichters en andere misdadigers hebben we nog genoeg, maar ze hebben een andere naam gekregen: de onderwereld. En intussen hebben we er een andere bevolkingsgroep bij gekregen: die van de oeverloos ontevredenen, de permanent boze mensen. Niets in de wereld deugt. De politici in Den Haag zijn plucheklevers, zakkenvullers en oplichters. De voetballers zijn zielige amateurs en de scheidsrechters meestal oplichters. Alles wat ze in het dagelijks leven tegenkomen kunnen ze missen als kiespijn. Maar gelukkig hebben ze hun laptop en een arsenaal aan scheldwoorden en bedreigingen.

’s Avonds kijken ze naar de televisie, eerst het nieuws met een paar politici, vluchtelingen, en dan het amusement met een mooi meisje. Ze grijpen hun laptop. Zakkenvullers! Moslimdieven!! Kankerhoer! Zo. Dat lucht op. Straks gaan ze tevreden slapen. Het digitale lompenproletariaat.