‘Onder het vet zit ik’

Na drank en drugs is Jack Wouterse nu ook gestopt met overmatig eten. Bij een dubbele espresso vertelt hij: „Ik was nooit een gezelschapsgebruiker. Ik deed het stiekem.”

Jack Wouterse: „In de afkickkliniek willen ze dat je je overgeeft aan hogere machten. Aan God. Ik kon dat niet.”
Jack Wouterse: „In de afkickkliniek willen ze dat je je overgeeft aan hogere machten. Aan God. Ik kon dat niet.”

Jack Wouterse (58) is veertig kilo lichter. Hij buigt over tafel en articuleert geluidloos: „Honderd-vijf-en-tachtig”. Zoveel woog hij vorig jaar juni, voor hij een gastric bypass onderging, een operatie waarbij de maag wordt verkleind en de dunne darm ingekort. Hij was het dikzijn zat. „Ik was op. Nog nét genoeg energie om m’n werk te doen. Piepend, hijgend, kreunend.” Als acteur op het toneel of op de filmset. „En daarna naar bed.”

En nu gaan we lunchen in het restaurant van het Wereldmuseum in Rotterdam. Linnen tafellakens, kristallen glazen, zilveren bestek. Hij wrijft in zijn enorme handen. „Ken je het hier? Fantastisch eten.” Voor ons op tafel vier eenhaps-amuses. „Niet praten hoor, als we dit proeven.” Hap één. Twee vuisten rusten op tafel, de ogen gesloten. Hap twee. Hij kijkt als iemand die iets geweldigs ervaart. „Ik had het jaren eerder moeten doen, die operatie.” Maar? „Ik was als de dood. Stel dat ik niks meer zou kunnen eten?” Het viel mee. „Ik eet alles. Alleen de helft minder.” Een dag na zijn ontslag uit het ziekenhuis was hij weer aan het werk.

Hij kijkt op. „Wat ik me afvroeg... Waar gaan we het eigenlijk over hebben?” Over hoe het nu met hem gaat, zeg ik. „Oh, oké”, zegt hij. En begint dan te vertellen over de „spannende reis” die zijn leven is en hoe goed het met hem gaat. Stop, stop, even terug naar die bypass. Een paar jaar geleden zei hij nog dat hij zo’n operatie nooit zou doen. „Ik vond dat ik het probleem bij de wortel moest aanpakken. Een operatie vond ik zwak, niet zuiver.” Op z’n vijftigste – acht jaar geleden – stopte hij met roken, drinken en cocaïne snuiven. Allemaal tegelijk, in een kliniek in Schotland. Daarna speelde hij in een toneelstuk over verslaving, Slaaf, later maakte hij er een gelijknamige film over. In diezelfde tijd verhuisde hij van Amsterdam, waar hij sinds zijn twintigste had gewoond, naar Rotterdam. Voor het eerst in zijn leven kreeg hij een vaste aanstelling, bij het Ro Theater. „Eten was het enige dat ik nog had.” Maar het lastige van een eetverslaving is dat met eten niet radicaal te stoppen valt.

Dik zijn, is niet het probleem, zegt hij. Doodgaan wel. „Ik val af omdat ik wil blijven leven.” Was hij zo dichtbij het einde dan? Ja, knikt hij. „Nu pas zie ik hoe erg het was.” Hij drinkt van zijn thee. Ik kon, zegt hij, twee liter water in één keer naar binnen gieten. „Als tiener al.” Wedstrijdjes gehaktballen eten in de voetbalkantine. „Tien, vijftien ballen achter mekaar. Ik won altijd. En dan zeggen: ‘zo, doe mij nu maar een lekker balletje’.” Of hij kocht een doosje moorkoppen en at die in de auto voor het stoplicht allemaal op. „Ik hou niet eens van zoet.” Niet het eten was het probleem, maar de proporties. „De mateloosheid. Ik heb het nog. Ik word pas rustig als alles op is.”

De ober komt de eerste gang van het lunchmenu toelichten. „Coquille... eendenlever...linzen, en bij die coquille...” Jack Wouterse, quasi-schrikkend: „Zei je nou cocaïne?” Was er niemand die hem in toom kon houden? Nee, schudt hij. Els niet, al vijfendertig jaar zijn vrouw. „Zij hield me altijd nèt op het spoor. Maar hoe dichter je op iemand leeft, hoe minder je door hebt hoe erg het is.” Koen niet, zijn zoon en ook acteur. „Van de drank en drugs heeft hij nooit geweten. Dat is het enige waar ik verdriet van heb. Dat ik hem heb bedrogen.” Zijn vrienden dan? „Ik heb maar één vriend [acteur Peter Paul Muller]. Verder ben ik zo alleen als de neten, een kluizenaar. Ik was nooit een gezelschapsgebruiker. Ik deed het stiekem. Ook als ik de ijskast leeg at, was ik in mijn eentje.”

Overeating Anonymous

Mateloosheid verdwijnt niet met een operatie, en een maagverkleining helpt niet tegen een verslaving. „Als ik gestresst ben sta ik nog steeds voor de ijskast.” En dan pakt hij? „IJs! Viennetta. Heel ordinair. Maar eten gaat ook over mondgevoel hè. Die combinatie van zacht, zoet ijs met knapperig chocoladestukjes.” Of het „korstje van de kip, met dat warme, dat sappige aan de binnenkant.. dat is.. dat is... als seks.” Daar moet hij nu dus vanaf zien te komen, van die obsessie met eten. Zoals je de AA hebt voor alcoholisten, bestaat er ook een OA, Overeating Anonymous. „Ik ben een half jaar elke dag naar een meeting gegaan. Zo leer je wel naar jezelf te kijken.” En wat zag hij? „Mijn roommate in de Schotse kliniek zei destijds: ‘Jack, in je hoofd ben je een Porsche, maar je lichaam is een oude bus.’ Zo is het precies. Ik moest dringend naar de garage.”

Het tweede gerecht is een delicaat stukje grietfilet. Vijf hapjes, als je rustig aan doet. Jack Wouterse eet weer in stilte. „Ik heb geleerd met aandacht te eten. En geen troep, maar eten waar liefde en aandacht aan is besteed. Vroeger was het: doe maar veel, lekker maakt niet uit.” Hij demonstreert de kunst van het genieten nu overtuigend. Weet hij inmiddels waarom hij zo onmatig was? Hij haalt zijn schouders op. „Ik heb geen aanwijsbaar trauma, geen klotejeugd, ik ben niet misbruikt.” Maar... „Ik wil mijn moeder zeker niet de schuld geven... Het heeft altijd in me gezeten... Ivanhoe op televisie, met Roger Moore in de hoofdrol. Douchen, pyjama aan, op de bank, tompouce erbij. Met m’n moeder naar de Hema. Rookworst! Nachtmis. Ik dacht alleen aan de maaltijd na afloop. Alles deed ik voor eten. Alles. Ik ben een labrador.” Zijn ouders waren niet dik, zijn twee oudere zusjes niet, en hij ook niet tot hij een jaar of zeventien was. „Ik zag laatst foto’s van toen ik twaalf was. Met zo’n ingevallen buik.” Hij voetbalde in het hoogste jongensteam van Hoevelaken. Na de havo wilde hij of acteur worden of naar de sportacademie. „Maar toen werd het bier, brommers en bingen [heel veel in één keer eten].” Drank en drugs kwamen er later bij. Hij blaast diep uit. „Het is even vijf minuten... verdoving... even niks voelen...” Want dat kwam er ook nog bij, hij werkte altijd „keihard”. „Overdag filmopnames, ’s avonds op het toneel, weinig slaap.”

Op z’n 21ste had hij al de zorg over een kind. Zijn vrouw was in verwachting toen hij verliefd op haar werd. En helpt het dan, tig moorkoppen in je mond stoppen? „Eventjes. Het is een vlucht”, zegt hij. Voor wat? „Voor de realiteit, jezelf, weet ik veel. Ik snap er zelf ook geen reet van. Vragen waarom is zo’n kutvraag.”

De herfst is begonnen. De tweede, gezonde helft van zijn leven. „Dikzijn gaat bij je horen. Maar ik bén het niet. Als ik nu in de spiegel kijk, zie ik mijn vader. Ja, ik zie ook dat mijn vel gaat hangen. Kan me niks schelen. Want van onder het vet kom ik zelf tevoorschijn.” En wie hij is, bevalt hem wel. De tien, vijftien jaar die hem nog resten – even afkloppen – wil hij nieuwe dingen doen. Nog meer tijd doorbrengen met Jet, zijn kleindochter van twee. Op vrijdagmiddag in de Pauluskerk verhalen vertellen met daklozen en verslaafden. Nog één keer een film maken waarvan mensen zeggen: ‘hé Jack, deze kant kennen we niet van je’. Hij werkt al een poosje aan het scenario van een film over liefde. „Over de positieve kracht ervan.” Hij was altijd de acteur van knok- én kunstfilms, moeilijk te plaatsen. Begonnen als circusartiest van zijn eigen circus Fiasco, doorgebroken als acteur met zijn rol in Alex van Warmerdams De Noordelingen, maar bij het grote publiek beter bekend als de knorrige rechercheur in de televisieserie Grijpstra & De Gier. „In mijn werk ben ik ook veranderd. Niet zoveel mogelijk rollen spelen, maar met één rol de diepte in.”

De ober vraagt of we, los van het menu, nog een dessert wensen. Gewetensvraag. Wel, niet, wel? Beter van niet. Bij de (dubbele) espresso komen zes kleine zoetigheden. Hij doet hap, hap, hap. Wacht ongedurig tot ik de laatste neem. „Ik ben gereset”, zegt hij. „Maar ik ben er nog niet. Nu moet ik opruimen.” Leren zijn zwakheden te herkennen, slecht gedrag bijsturen. Dus ook niet de hele dag op Facebook zitten, of zestien afleveringen van The Soprano’s op één dag kijken. Doseren. „In de Schotse afkickkliniek wilden ze dat je je overgeeft aan hogere machten. Aan God. Ik kon dat niet. Tot iemand zei: verander god gewoon in good. Dáár kan ik wel wat mee. Als hij ’s ochtends over straat loopt, zegt hij tegen iedereen goedemorgen. „Beetje bewerkelijk in Rotterdam, maar het wérkt.” Goed doen, goed zijn, goed eten. „Dat raakt aan iets wat ik altijd al in me had, een vuurtje dat ook in mijn moeder brandde. Zij was heel positief, geloofde in de gelijkwaardigheid van mensen, kwam op voor de zwakkere in de samenleving. Voor ze stierf, op haar 58ste, werd ze ineens religieus. Door haar geloof kon ze sterven. Dat begrijp ik nu beter.” Zijn hart weet nu wat zijn hoofd nog niet snapt, zegt hij. „Dick Couvée [de dominee van de Pauluskerk] zegt altijd dat hij en ik hetzelfde geloven. Ik noem het alleen anders.”