Noodopvang mag migranten nooit extra schade toebrengen

Vluchten doet ieder mens bij voorkeur naar de veiligheid. Maar de recente grote toestroom van migranten veroorzaakt nu een tweede, interne asielcrisis. Zijn de ontvangende landen wel in staat om aan humanitaire minimumnormen te voldoen? De signalen nemen toe dat dit niet het geval is.

Zo zijn er serieuze zorgen over het lot van naar schatting zesentwintigduizend kinderen die zonder begeleiding de oversteek naar Europa hebben gewaagd. Tienduizend van hen zijn spoorloos; Europol vreest, volgens de Britse zondagskrant the Observer dat een deel van hen in handen is van uitbuiters. De federale recherche in Duitsland is daar het zicht verloren op vijfduizend kinderen. De omvang van het aantal verdwenen kinderen is onbekend. De Nederlandse kinderombudsman Marc Dullaert zei in Brandpunt dat het er ook twintigduizend kunnen zijn. Dat was geen hard cijfer, maar een ‘kwalitatieve inschatting’.

Iets dergelijks publiceerde deze week de Nationale Ombudsman en het College voor de Rechten van de Mens over de noodopvang Heumensoord, bij Nijmegen. Daar worden sinds begin oktober in tentpaviljoens ongeveer 3000 vluchtelingen opgevangen. Hun eenstemmige oordeel: dit is niet acceptabel. Hooguit voor een zeer beperkte periode, mits het goed weer is.

Migranten die er maanden moeten zitten, zoals nu, gaan mentaal ten onder aan privacygebrek, lawaai, onzekerheid, verveling en afhankelijkheid. Het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) faalt in de communicatie met de vluchtelingen en de gezondheidszorg. De bejegening is onpersoonlijk, er is onvoldoende informatie en vertrouwen. Vooral de combinatie van uitzichtloosheid en gebrek aan perspectief drukt de mensen neer. Het COA slaagt er onvoldoende in om bedreigingen van homoseksuelen, biseksuele en transgenders te bestrijden of te voorkomen.

De kritiek werd in politiek Den Haag tamelijk routineus ontvangen. De PvdA gaat de staatssecretaris vragen welke verbeteringen op korte termijn mogelijk zijn. De VVD stelt dat het „beter is dan op straat slapen” en dat de draagkracht van Nederland in zicht is. Van een Duitse ‘welkomcultuur’ is hier zacht gezegd geen sprake, een mix van politieke ambitie en historische inspiratie om dit goed aan te pakken. De opvang lijdt onder de diepe verdeeldheid; wie géén tegenstander is van een AZC in zijn gemeente, wordt via sociale media op verwensingen getrakteerd. Dat leidt tot officiële verkramping. De pers mag van de COA niet op het terrein van Heumensoord komen. Als de Koning officieel een AZC bezoekt, dan is dat aan een leeg gebouw waar nog geen enkele vluchteling is gehuisvest. Vluchtelingen liggen hier zo gevoelig dat ze het liefst onder de publieke radar worden gehouden.

De kritiek van ombudsman en college moeten ernstig genomen worden. Het kabinet leverde, in samenwerking met gemeenten en talloze vrijwilligers een goede prestatie bij de opbouw van noodopvang. Maar het vervolg gaat te langzaam; te rudimentaire opvang wordt dan een risicofactor, die voor hen schadelijk kan zijn op lange termijn. Dat is niet alleen een particulier belang van de vluchtelingen zelf, maar ook een verlicht algemeen belang.

Heumensoord was bedoeld noodopvang voor kort verblijf – primaire bescherming tegen regen en kou. In de asielcrisis moet nu een tweede slag worden geleverd: deze mensen moeten zekerheid krijgen, onderwijs, beter onderdak en gezondheidszorg. En dat moet in de volle openbaarheid gebeuren.