Luistergids voor de Passion

Twee muziekcritici namen de Matthäus Passion door, hoe is die opgebouwd en waarom zo? En hoe ervaren anderen het muziekstuk van Bach?

De Grote Kerk in Naarden-Vesting tijdens de uitvoering van de Matthäus Passion. FOTO BRAM BUDEL
De Grote Kerk in Naarden-Vesting tijdens de uitvoering van de Matthäus Passion. FOTO BRAM BUDEL

Het is sinds het begin van de vorige eeuw een jaarlijks hoogtepunt: de uitvoering van Bachs Matthäus-Passion. Je zou kunnen zeggen dat dit bijna 250 jaar oude oratorium in ons ontkerkelijkte vaderland geheel is ingeburgerd. In geen enkel ander land wordt het zo vaak gespeeld. ‘Naar de Matthäus gaan’, dat doe je als jezelf respecterend Nederlander. Kijk naar de voorgangers van ons volk, ze staan elk jaar weer voor de kerk in Naarden of de Leidse Pieterskerk. De voorbeeldfunctie. Mark Rutte: ‘Ik hou ontzettend van die muziek.’ Ik zag in 2015 Zalm ter Matthäus tijgen, Pechtold, Cohen, Bussemaker, Plasterk, andere collegae. Daar kwam ook Ivo Opstelten aan. Pak papier onder de arm.

‘Beleidsstukken meegenomen, meneer Opstelten?’

‘Geenszins. Dit is de Matthäus-partituur.’

Die geest. Bach hoort er bij, voor alle gezindten. Oud-minister Schmeltzer zei het zo: ‘De Matthäus stimuleert bezinning op eeuwige waarden, en dat is ook voor ministers en staatssecretarissen heel nuttig.’ Hoe werkt dat precies? Wat zijn die waarden, en hoe stimuleert Bach ze?

Van Mischa Spel en Floris Don, muziekcritici voor NRC, verscheen nu De Matthäus-Passion. Wat Bachs meesterwerk je vertelt, als je weet waar je op moet letten. Het gaat hen om deze vragen: wat raakt ons zo diep in het stuk, wat gebeurt er in de muziek, hoe is de Matthäus opgebouwd? Voor een antwoord vroegen ze ingewijde dirigenten, musici, muzikale schrijvers en anderszins muziekminnenden naar hun Matthäus-ervaringen.

De Matthäus-Passion is een voorbeeldige, ‘complete luistergids’. In een aantrekkelijke inleiding schetsen de auteurs de geschiedenis van het stuk, exponent van een bestaand genre, maar in lengte, dramatiek, retorische complexiteit, briljante harmonie en melodie ‘uniek en zonder precedent’. De uitvoeringsduur blijkt enorm te kunnen verschillen. Doorgaans is de zittijd twee uur en drie kwartier, dirigent Otto Klemperer deed er eens 3 uur en 45 minuten over, de Nederlandse Bachvereniging speelde hem in 1957 in 201 minuten uit. Hoeveel zangers mogen er meedoen? Honderd zoals bij veel amateur-Matthäuskoren, of vierentwintig? Veelvuldig (en ‘romantisch’) Matthäus-dirigent Willem Mengelberg: ‘De koren kunnen slechts door massale wedergave hun diepgaande werking bereiken.’ Wat vond Bach zelf? We kunnen het hem niet meer vragen. Dirigent Colin Davis: ‘Het gaat er om de noten nu tot leven te brengen. Als dat lukt kun je niet fout bezig zijn.’

Deel voor deel doorgenomen

Na hun inleiding gaan Don en Spel over tot de hogere schakelkunde die hun luistergids zo geweldig maakt. De hele Matthäus wordt deel voor deel doorgenomen. Eerst een persoonlijke herinnering van een ervaringsdeskundige of hartstochtelijk liefhebber, dan diens commentaar op betreffend deel. Tenor Nico van der Meel zegt: ‘Voor elke Matthäus moet ik goed gegeten hebben. Anders word ik chagrijnig.’ We kunnen het ons voorstellen. Met Klemperer op de bok zal een extra toetje het humeur bevorderd hebben. Mooi is ook wat beide auteurs optekenden uit de mond van dichter/acteur Ramsey Nasr: ‘Door de lengte is dit werk voor mij een zelfverkozen vorm van uitputting en boetedoening.’ De tekst van wijninspecteur en postbode C.F. Henrici alias Picander, ‘broddelwerk’ aldus Nasr, draagt dan nog eens aan die boetedoening bij.

De eeuwig dwarse, ongelovige schrijfster/psycholoog Anna Enquist vindt de Matthäus-teksten zelfs hysterisch. Groots willen zijn in het lijden? ‘Die man heeft psychische hulp nodig.’ Dit type commentaar wordt in De Matthäus-Passion afgewisseld met technische mededelingen als van dirigent Ton Koopman (over koraal ‘Wer hat dich so geschlagen’): ‘De melodie is dezelfde als in koraal nr. 10 en staat in F-groot, toonsoort van kalmte en berusting.’ Of mezzosopraan Jard van Nes over deel 51 ‘Erbarm es Gott!’ die zegt dat men het geselen van Jezus in de strijkers hoort. Ze voegt er aan toe dat, mocht men dit deel als drakerig ervaren, dit ligt aan het speeltempo. Flink doorspelen, ‘dan is het effect geweldig’. Uiteraard mocht Maarten ’t Hart in deze keur aan Bach-beschouwers niet ontbreken. Hij pleit bij de aria ‘Sehet, Jesus hat die Hand’ voor alt-vertolking: ‘Een countertenor klinkt voor mij toch vaak als een mannenstem met voorwielaandrijving.’

Dwarsbalk

De Matthäus vertoont een kruisvorm: het eerste deel is de dwarsbalk, het lange tweede deel de staander. Gamba-musicus Ralph Meulenbroeks bespeurt eenzelfde vorm in de rolverdeling van stem en gamba in aria 57, in de onregelmatig gebroken akkoorden van de gambapartij zelf beluistert hij ‘Jezus’ ploeterende gang over de keien’. Dit alles in d-klein, zegt Meulenbroeks, ‘omdat de zeven snaren van een gamba in die toonsoort het lekkerst ronken.’

Bas/bariton Florian Boesch vertelt over de scène met Judas’ verraad dat hij bij de Matthäus-uitvoering in Naarden de cultuurminister die enorm had bezuinigd strak had aangekeken bij de regel ‘Mein Freund, warum bist du kommen?’ Laten we hopen dat die minister het heeft gemerkt, en niet druk bezig was muziek en partituur te vergelijken. Wat het laatste betreft, Spel en Don melden het niet, ik las het in Jan Luths bijdrage over de Matthäus in Religie en cultuur in hedendaags Nederland (2010): de waarneming dat ‘een meelezende minister’ de partituur op zijn kop hield. Hier denken we toch eerder aan voorheen onze man op Justitie, Ivo Opstelten. Het is tijdens het koraal ‘Erkenne mich, mein Hüter’ dat collega Plasterk op dezelfde rij even naast zich kijkt.

‘Ivo’, fluistert hij. ‘Je partituur… Andersom.’

Opstelten reageert routineus - ‘Alles onder controle…’ – en draait de partituur. Er vallen een paar bonnetjes uit, maar hij leest alweer ingespannen verder, terwijl ‘dein Geist hat mir begabet’ weerklinkt.

In het boek geven Spel en Don zelf en via hun zegsmannen en -vrouwen een rijk en uiterst creatief geschakeerd beeld van dit zo ‘Nederlands’ geworden Bach-oratorium. Instructie en vermaak tijdens een lange zit.