Kolossale internationale crises en beschamende Hollandse reacties

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: Rutte, EU-voorzitter, te midden van Hollandse decadentie.

Ofwel: kolossale internationale bedreigingen en kleingeestige binnenlandse respons.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer
Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Het opgewonden geweldscultuurtje begint nu werkelijk ongemakkelijk te worden. Zeven procent van de raadsleden, leerde onderzoek deze week, overweegt te stoppen door aanhoudende bedreigingen.

Een PvdA-bestuurder in Katwijk vond het leuk Wilders even dood te wensen. Wilders zelf wist al dat de PvdA afzender zou zijn mocht hij ooit getroffen worden door een linkse kogel.

De politiek verloedert razendsnel, en meer dan beschaamd toekijken kunnen we kennelijk niet meer.

De beste illustratie leken me de mensen die comfortabel constateerden dat alles aan (ultra)rechts of juist (ultra)links ligt - waarmee ze zichzelf onbedoeld als deel van het probleem identificeerden. De eigen superioriteit als uitgangspunt: nee, dat dooft de woede natuurlijk.

Ik denk wel eens dat politiek, net als techniek, de nieuwe volkssport geworden is. Iedereen doet het, iedereen kan het. Op Twitter of Instagram zijn we de spindoctor van ons eigen leven, inclusief wantrouwen voor andermans positionering.

En de pressiemiddelen waarvan politici zich traditioneel bedienen, staan nu tot ieders beschikking. De zelfpromotie, de praatjes, verwijten, dreigementen, intimidaties: politiseren kunnen we voortaan allemaal.

Het is de tragiek van dit moment. Grote geopolitieke crises - Syrië, Libië, IS, Rusland, Oekraïne, vluchtelingen - stellen deze maatschappij voor existentiële keuzes.

Ze brengen de open grenzen in gevaar, Schengen in gevaar, de EU in gevaar, de economie in gevaar – ze brengen de basis onder ons bestaan in gevaar.

En de logische woelingen die dit oplevert beantwoorden we hier met een volksleger dat zich te buiten gaat aan politiek als spelletje. Beetje geinen, beetje dreigen. Je kunt dit de prijs van de democratie noemen – al lijkt decadentie me ook een optie.

En dit in een week waarin we bovendien dat correspondentendiner hadden - met Nina Brink en Ruud Gullit in de rol van politiek journalist. Ook de discussies daarover leken me eerder een spelletje dan een serieus gesprek.

Je had journalisten (en burgers) die principieel tegen de aanwezigheid van Haagse verslaggevers op zo’n gala waren. Journalisten die mee lachen met de macht: gaf natuurlijk geen pas.

Zo kun je denken. Maar het is een soort zuiverheid die weinig relatie met de werkelijkheid heeft.

Een verslaggever die geïnformeerd over politiek wil schrijven, het lijkt me geen gek streven, zal geregeld nauwe contacten met politici hebben. Ik zou geen alternatief weten.

Niet dat ik op dat diner was – maar een principieel protest was dit zeker niet. Wel begreep ik mensen die zich afvroegen of een premier dit soort lichtvoetigheid moet uitstralen nu hij als EU-voorzitter zoveel kolossale problemen op zijn bord heeft.

Maar gezien zijn werkschema kun je hem amper verwijten dat hij daar geen aandacht voor heeft. En dan: een avondje optimisme kan in deze sombere tijden ook weer geen kwaad, lijkt me.

Het probleem was eerder dat zijn grappen vervolgens nog dagen serieus gerecenseerd werden. Dan ben je natuurlijk de weg kwijt.

Dan denk je kennelijk dat het entertainment meer gewicht in de schaal legt dan, ik noem maar iets, onderhandelingen met Turkije over regionale opvang van Syrische vluchtelingen, die zich volgende maand weer met tienduizenden aan de EU-buitengrenzen zullen melden. Dan is, opnieuw, het spelletje de maat der dingen geworden.

Het heeft ook iets krankzinnigs dat politici in die atmosfeer moeten werken: terwijl de volkssport van afgeven op de politiek groeit als kool, terwijl talrijke media politiek als entertainment brengen, moeten politici het doen met het ouderwetse handwerk. Het geploeter van nadenken, inlezen, vergaderen, risico’s taxeren en beslissingen nemen.

Om daarna gewoon weer kanonnenvlees voor de massa te zijn.

Dus dat steeds minder politici dit draaglijk vinden is zo gek niet. Vicepremier Asscher stuurde deze week een open brief aan zijn scheldende reaguurders. Of het slim was weet ik niet: je geeft mensen om de verkeerde redenen aandacht.

Maar het zegt iets, lijkt me, als zo’n hooggeplaatste bestuurder toegeeft dat hij last van de kwetsende meute heeft.

In die context had je een ander bericht dat ernstig te denken geeft: uit nieuw gepubliceerde cijfers bleek dat de grootste partij in de Kamer, de VVD, nog maar 28.000 leden heeft; een daling, in één jaar, van 8 procent.

Wie zich daarbij realiseert dat een partij, om aan alle verkiezingen mee te doen, elke vier jaar 8.000 kandidaten voor kieslijsten op de been moet brengen, begrijpt wat hier gaande is.

Nu inbeuken op volksvertegenwoordigers routine is geworden, krimpt de groep die beschikbaar is voor openbare functies angstaanjagend snel.

Ergo: voor kritiek op politiek zijn hele volksstammen beschikbaar, voor de uitoefening van politiek is bijna niemand meer te vinden.

Het logische gevolg – steeds zwakkere politici, steeds meer integriteitskwesties – zou iedereen de stuipen op het lijf moeten jagen.

Intussen dringt de wereld, met zijn humanitaire crises en machtspolitieke dilemma’s, zich steeds heftiger aan Nederland op.

De denktank SCP publiceerde deze week cijfers waaruit blijkt dat in de Syrische oorlog 450.000 mensen zijn gedood en 1,9 miljoen mensen gewond – ruim 11 procent van de bevolking.

Omstandigheden waarop Nederland tot nu toe reageerde door Wilders virtueel groot te maken.

Tegelijk voel je in de Haagse wandelgangen nu de behoefte aan een anti-Wilders groeien. Pechtold, die de rol lang vervulde, aarzelt.

Dus Jesse Klaver, steeds beter in de debatten, presenteerde deze week ideeën die diametraal tegenover Wilders staan. Ook in de PvdA bestaat, zeker bij Spekman en Asscher, interesse in de rol van de anti-Wilders.

Een rol vol persoonlijke risico’s, zie Wilders’ reactie op Spekman deze week, maar evengoed een positie waar buiten Den Haag naar wordt gehunkerd: zelfs in de voor Wilders meest gunstige peilingen heb je nog steeds 110 zetels die niet op hem stemmen; opvattingen die amper in Den Haag weerklinken.

Tegelijk beginnen Kamerdebatten over vluchtelingen iets provinciaals te krijgen. Donderdag ging het voor een deel over bijgestelde ambtelijke prognoses van aantallen vluchtelingen die in 2016 in Nederland komen.

Ambtenaren hadden eerder 90.000 geraamd, na politieke tussenkomst was dit verlaagd: dubieus?

Daar kan je het natuurlijk over hebben: weer VVD-politici die blijkbaar een gunstig beeld boven de werkelijkheid verkiezen. Maar als je de kolossale problemen voor de EU overziet die de vluchtelingenstromen oproepen, de fragiliteit van alle Europese verbanden waarin we sinds de Tweede Wereldoorlog leven, dan is óók dit een invalshoek die grenst aan de decadentie.

Al het dreigen en geinen, alle politisering van Wilders en de amateurs: ze doen allang geen recht meer aan de bittere ernst van de situatie.

Dit is een tijd voor makers en grote lijnen. Niet voor brekers. Dit is een tijd voor mensen met moed in plaats van angst. Voor voorhoedespelers en doorbraakdenkers in plaats van eigenheimers en populisten. Voor mensen die durven zeggen: ik probeer het schier onmogelijke binnen een paar weken op te lossen, ook al is de kans minimaal.

Eén keer werkte ik, als verslaggever, een tijdje nabij een oorlogslinie. Het eigenaardige daarvan is: even verderop gaat het leven gewoon door. Boodschappen doen, eten, flirten – alles.

In die semi-verdoofde toestand, bedacht ik me deze week, verkeert Den Haag en zijn buitenleger van amateurpolitici zich nu ook. Doen alsof er niet zoveel aan de hand is. Beetje geinen, beetje dreigen. Zelfs nu ons bestaan over een maand in een beklemmende neerwaartse spiraal terecht kan zijn gekomen.